De oprichting van de Orde der Apothekers in 1949 werd o.a. gerechtvaardigd door de wetgever door de zorg om een “verschuiving van vrij beroep naar handelsbedrijvigheid” te vermijden en om “de commercialisering van het beroep tegen te gaan”. Er wordt dus expliciet voorzien dat de deontologische Code de bepalingen “die er toe strekken het niet-handelskarakter van het beroep te vrijwaren” moet bevatten (K.B. nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der Apothekers, art. 15, § 1, al. 5).
De apotheker, die in de eerste plaats een gezondheidszorgberoepsbeoefenaar is, wordt echter ook beschouwd als een onderneming in de zin van het mededingingsrecht en het economisch recht in het algemeen. Hij moet dus ook ondernemersinitiatieven kunnen ontwikkelen zoals elke onderneming. Deze onderneming is echter bijzonder aangezien deze een gereglementeerd beroep uitoefent, dat onderworpen is aan een deontologie. De deontologie is van toepassing op alle aspecten van de uitoefening van dit beroep, ongeacht of men al dan niet intellectuele prestaties uitoefent die kenmerkend zijn voor het beroep en dus ongeacht of het activiteiten betreffen die al dan niet onder het monopolie van de apotheker vallen. Artikel 15 van de Code moet geïnterpreteerd worden met respect voor deze principes. Het kan het opleggen van beperkingen op de activiteit van de apotheker enkel rechtvaardigen voor zover deze beperkingen noodzakelijk en proportioneel zijn met het bereiken van legitieme doelen zoals de bescherming van de volksgezondheid en de waardigheid/het imago van het beroep (voorwaarde van de geloofwaardigheid van de apotheker ten opzichte van de maatschappij), alsook de bescherming tegen overconsumptie van geneesmiddelen. Voor een concrete toepassing van deze principes op het gebied van publiciteit en commerciële praktijken, zie de algemene opmerkingen van punt 13 van deel II van de Code.