Artikel 60

Elke collusie tussen apothekers en andere gezondheidszorgbeoefenaars is verboden.
Vormen van samenwerking tussen apothekers en andere zorgverstrekkers die zijn opgestart in het belang van de patiënt en de kwaliteit van de zorg en die de onafhankelijkheid van de apotheker en de vrije keuze van de patiënt waarborgen, zijn daarentegen aanvaardbaar.

Collusie betekent een bedrieglijke, meestal geheime verstandhouding met een voordeel ten nadele van een andere waardoor het opsporen van die strafbare feiten belemmerd wordt. Dit artikel verbiedt geen afspraken voor zover die uitsluitend zijn ingegeven door overwegingen die een goede zorgverlening beogen.

Collusie moet niet verward worden met vormen van multidisciplinair overleg die zich meer en meer ontwikkelen met het oog op een betere toegankelijkheid en kwaliteit van de aan de patiënten verstrekte zorg. Voor zover deze vormen van samenwerking de onafhankelijkheid en de professionele autonomie van de zorgverstrekker waarborgen, alsook de vrije keuze van de beroepsbeoefenaar door de patiënt, moeten ze aangemoedigd worden. Deze vormen van samenwerking kunnen o.a. als doel hebben: het belonen van het doelmatig voorschrijven, het stimuleren van farmacotherapeutische afspraken en overleg, het optimaliseren van de geneesmiddelenvoorziening in de eerste lijn waarbij het belang van de patiënt gewaarborgd blijft, het vermijden van overconsumptie of misbruik van geneesmiddelen, enz.

Wat betreft de mogelijkheid voor de apotheker om samen te werken met een andere gezondheidszorgverstrekker door hem een ruimte in zijn apotheek ter beschikking te stellen, zie de commentaar onder artikel 81 van de Code.

  • Er is geen sprake van bewezen “verstandhouding” en dus van collusie in hoofde van een apotheker wanneer een arts uit zichzelf, zonder verzoek van de apotheker, beslist zijn patiënten systematisch naar deze apotheker te verwijzen vanwege de bijzondere en welbekende expertise van de betrokken apotheker (bijvoorbeeld voor de uitvoering van specifieke magistrale bereidingen of voor het breed gamma van voedingssupplementen waarover hij beschikt en zijn kennis hierover).
  • Het feit dat een apotheker zijn apotheek vestigt in hetzelfde gebouw als de praktijk van een arts, een kinesitherapeut, een psycholoog, enz. vormt ook geen collusie voor zover de ingang van de lokalen strikt gescheiden is en de vestiging niet gepaard gaat met een overeenkomst die met de patiënten van beide praktijken gelinkt is. Er moet hier herhaald worden dat de apotheek meerdere ingangen kan hebben in overeenstemming met de commentaar onder art. 77 van de Code en dat bepaalde ingangen kunnen uitgeven op andere ruimtes. Het zou dus aanvaardbaar zijn als één van deze ingangen zou uitgeven op een gemeenschappelijke ruimte, zoals een gang, een hall… die ook toegang kan geven tot andere lokalen van zorgverstrekkers. Wat fundamenteel blijft, is dat de officina een individuele entiteit moet zijn die autonoom functioneert ten opzichte van de aangrenzende ruimtes en dit zonder dat de patiënt verplicht is om één van deze over te steken om toegang te krijgen tot de apotheek.
  • Een veroordeling voor collusie werd echter uitgesproken tegen een apotheker die tegen een verminderde prijs griepvaccins leverde aan zijn zus, die arts was. De zus leverde dan de vaccins direct af aan de patiënten, gaf hen een bvac-attest mee die blanco werd meegegeven door de apotheker en bracht nadien de voorschriften op naam van de gevaccineerde patiënten aan deze laatste terug.

Zie de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, art. 38, § 2.

Zie ook de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, art. 7 en art. 32, die de mogelijkheid voorzien om samenwerkingsverbanden tussen gezondheidszorgbeoefenaars via een koninklijk besluit te omkaderen zonder mogelijkheid om de therapeutische vrijheid van deze beoefenaars aan te tasten.