Vanwege zijn monopolie op de aflevering van alle al dan niet voorschriftplichtige geneesmiddelen is de apotheker in principe gehouden het gevraagde geneesmiddel af te leveren. Betreffende de producten die zonder voorschrift kunnen afgeleverd worden, laten verschillende principes zoals de therapeutische vrijheid (wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, art. 4), het recht van de patiënt op kwaliteitsvolle dienstverstrekking die beantwoordt aan zijn behoeften (wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 5) en de farmaceutische zorg (Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken, gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers, punt F.7.A) de apotheker toe om de aflevering van het product te weigeren, mits de patiënt hierover correct te informeren (over deze vraag, zie de commentaar onder artikel 19 van de Code). Het weigeren van aflevering en verstrekking wordt op een wetenschappelijke basis gemotiveerd door het belang van de patiënt en in het algemeen door de volksgezondheid zonder dat subjectieve criteria tussenkomen. Betreffende de voorschriftplichtige producten is het enkel in de door de regelgeving voorziene gevallen dat de apotheker het voorschrift mag wijzigen of aanpassen (K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers, art. 17, al. 1 en de daarbij gevoegde Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken, punt F.7.1.II), de aflevering mag uitstellen (K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers, art. 17, al. 2, 18 en 19) of het voorgeschreven geneesmiddel mag substitueren (wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, art. 6; voor meer uitleg met betrekking tot de substitutiemogelijkheden, zie de commentaar onder artikel 37 van de Code).
De mogelijkheden om gewetensbezwaren te formuleren tegen het verzoek van een patiënt worden voorzien in artikel 35 van de Code (zie ook de commentaar die daarmee gepaard gaat).
Artikel 34 van de Code stelt dat de prijs van het geneesmiddel geen reden mag zijn om de aflevering of de bestelling van een geneesmiddel te weigeren. Deze bepaling heeft betrekking op vragen naar dure geneesmiddelen of geneesmiddelen die beperkte marges genereren die de apotheker in de verleiding zouden kunnen brengen om deze niet te honoreren omwille van zuiver economische motieven, wat niet deontologisch aanvaardbaar is. Deze bepaling heeft integendeel niks te maken met patiënten met financiële moeilijkheden die de gevraagde producten niet kunnen betalen. Voor meer uitleg over de interpretatie die aan deze bepaling moet gegeven worden, zie het advies van 8 december 2015, “Draagwijdte van art. 31 van de deontologische Code”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd (de titel van dit advies gebruikt de oude nummering van de deontologische Code; het artikel 31 is nu artikel 34 van de Code geworden).