Artikel 55

De apotheker onthoudt zich, zowel in het openbaar als privé, van woorden of handelingen die zijn confraters of het imago van het beroep schade kunnen berokkenen.

Het centrale idee achter de verplichting van artikel 55 van de Code is de noodzaak om het vertrouwen van de patiënt in zijn apotheker als individu maar ook in het hele beroep te behouden. Het gaat om een doelstelling van volksgezondheid.

Betreffende de plicht voor de apotheker om de deontologie na te leven zelfs buiten de beroepsactiviteit, zie de commentaar onder artikel 5 van de Code.

De Conseil d’appel heeft het volgende gesteld: “Het feit dat men een confrater belastert, denigreert of valse beschuldigingen verspreidt over zijn persoon, zijn personeel, zijn officina of zijn bereidingen druist in tegen de deontologie, zelfs als er geen gevolgen zijn voor het cliënteel”. In dit geval had een apotheker een brief aan de Provinciale Raad, de farmaceutische inspectie en de Provinciale Geneeskundige Commissie opgestuurd waarin hij de beroeps- en morele kwaliteiten van collega’s, hun twijfelachtige praktijken, hun gebrek aan scrupules en hun minachting voor de deontologie in vraag stelde. Zelfs indien zij niet publiek werden gemaakt, werden deze uitspraken als onaanvaardbaar beschouwd op het deontologische vlak. Het recht om over een collega die zijn taken niet uitvoert te klagen werd niet in vraag gesteld maar het was de manier om de klacht te formuleren die als ongepast werd geoordeeld.