De apotheker is onderworpen aan het beroepsgeheim (art. 458 van het Strafwetboek).
Dit beroepsgeheim strekt zich uit tot alles wat hem uit hoofde van zijn beroep werd toevertrouwd of ter kennis gebracht, evenals tot alles wat hij vaststelt of ontdekt in het kader van zijn beroepsuitoefening.
De apotheker waakt erover dat het beroepsgeheim wordt gerespecteerd door de personen die onder zijn toezicht staan.
Het beroepsgeheim is een gevoelig thema dat nog altijd het voorwerp is van veel discussies. Het gaat hem om fundamentele waarden en het roept vragen op bij de apotheker in zijn relatie met de patiënt. In plaats van een theoretische gedetailleerde studie van het onderwerp is het de bedoeling van deze commentaar om aan de hand van nuttige verwijzingen de fundamentele beginselen kort te herhalen en de apotheker te helpen in zijn dagelijkse praktijk dankzij concrete casussen.
Het beroepsgeheim vindt zijn grondslag niet alleen in de persoonlijke vertrouwensrelatie die tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar moet bestaan zodat kwaliteitsvolle farmaceutische zorg kan verstrekt worden op een individueel niveau, maar ook in het algemeen belang dat een algemeen vertrouwen in de gezondheidszorgberoepen eist om de toegang tot de zorg en de bescherming van de volksgezondheid te waarborgen. De apotheker is gebonden door het beroepsgeheim krachtens het artikel 458 van het Strafwetboek dat hem dwingt om te zwijgen over de “geheimen die hem zijn toevertrouwd”. Dit begrip werd nergens in detail gedefinieerd en het is onmogelijk om een exhaustieve lijst van de geviseerde elementen op te stellen. Zoals gesteld door artikel 22 van de Code dekt dit niet alleen de informatie die aan de apotheker wordt onthuld of door hem wordt vernomen uit hoofde van zijn beroep maar ook de informatie die hij heeft vastgesteld of ontdekt in het kader van zijn beroepsuitoefening12. De Conseil d’appel van de Orde der Apothekers heeft bijvoorbeeld het volgende gesteld: zelfs als een officina een plaats is die toegankelijk is voor het publiek “moet het loutere feit dat men er binnengaat, worden beschouwd als een geheime daad die de apotheker niet mag meedelen aan derden”; anders is het vertrouwen dat de patiënt in de apotheker stelt, geschonden. Inlichtingen van financiële, maatschappelijke, familiale, psychologische… aard over een patiënt waarvan de apotheker kennis neemt in het kader van zijn beroepsuitoefening worden ook beschermd door het beroepsgeheim.
Farmaceutisch-technisch assistenten zijn ook gebonden door het beroepsgeheim. In de voor het publiek opengestelde officina’s heeft de apotheker-titularis een bijzondere verantwoordelijkheid in dit opzicht, want hij is belast met de uitvoering van de goede praktijken door alle personeelsleden, met inbegrip van de behandeling met respect voor het privéleven van de patiënten van alle informatie die ze in het kader van de uitoefening van hun beroep ontvangen. De personeelsleden (apotheker, niet-apotheker, onderhoudspersoneel, stagiaire…) verplichten zich hiertoe door middel van een vertrouwelijkheidsverklaring (zie het punt F.1 van de Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken, gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers).
De plicht tot naleving van het beroepsgeheim brengt met zich mee dat de officina-apotheker de apotheek zo moet inrichten dat een vertrouwelijke dialoog met de patiënt mogelijk is (cfr. artikel 82 van de Code). Betreffende de vertrouwelijkheidsruimte die in de apotheek moet voorzien worden, zie de commentaar onder artikel 82 van de Code; zie ook artikel 23 van de Code en de commentaar die daarmee gepaard gaat.
Het beroepsgeheim blijft bestaan zelfs in geval van overlijden van de patiënt (zie de hieronder vermelde voorbeelden).
De niet-naleving van het beroepsgeheim is vatbaar voor strafrechtelijke sancties en heeft bovendien burgerlijke en tuchtgevolgen. Om strafbaar te zijn, moet er een bekendmaking zijn aan één of meerdere derden ongeacht de wijze van de bekendmaking (mondeling of schriftelijk, in het kader van een privé gesprek of tijdens een publiek debat…) en moet de derde(n) kennis hebben genomen van de bekendmaking (de poging tot inbreuk op het beroepsgeheim is niet strafbaar). Om strafbaar te zijn, moet de bekendmaking van het toevertrouwde geheim ook vrijwillig zijn. Het is echter niet vereist dat dit gebeurt met de bedoeling om schade toe te brengen.
Ondanks het belang dat het recht aan dit principe toekent13 is het beroepsgeheim niet absoluut. Er bestaan situaties waarin de apotheker informatie, die in principe door het beroepsgeheim is gedekt, mag of zelfs moet onthullen. Dit zijn vaak situaties waar geen duidelijke “zwart-wit” oplossing mogelijk is maar waar een genuanceerde aanpak aangewezen is.
- Getuigenis in rechte
Het artikel 458 van het Strafwetboek heft de geheimhoudingsplicht op in geval van getuigenis in rechte. Met “getuigenis in rechte” worden alle verklaringen bedoeld die voor een onderzoeksrechter of een bodemrechter, zij het een burgerrechtelijke of strafrechtelijke rechter worden afgelegd. De verklaringen die aan de politiediensten of het parket worden afgelegd, vallen niet binnen deze categorie. Het gaat hier om een mogelijkheid om te spreken en geen verplichting: in zo’n situatie moet de apotheker altijd in eer en geweten evalueren of het noodzakelijk en nuttig is, o.a. in het belang van de justitie en de gerechtelijke waarheid, om informatie die door het beroepsgeheim wordt gedekt, te onthullen; hij mag dus zwijgen voor zover hij hierdoor het beroepsgeheim niet van zijn doel afwendt en geen rechtsmisbruik maakt.
Een apotheker zou bijvoorbeeld opgeroepen kunnen worden om te getuigen voor de politierechtbank in een verkeerszaak waarin één van zijn patiënten betrokken is om te verduidelijken welke geneesmiddelen aan hem werden afgeleverd enkele uren vóór het ongeval dat hij heeft veroorzaakt. Indien de apotheker zelf persoonlijk betrokken is bij een procedure, bijvoorbeeld op basis van zijn beroepsaansprakelijkheid, laten de rechten van de verdediging hem toe om de door het beroepsgeheim gedekte informatie te gebruiken om zich te verdedigen.
Een zelfde opheffing van het beroepsgeheim bestaat voor de getuigenis voor een parlementaire onderzoekscommissie.
- Toelating of verplichting van de wet
In het strafrecht wordt aanvaard dat er geen inbreuk is wanneer het plegen ervan is geëist of toegelaten door de wet. Hetzelfde principe is van toepassing op het beroepsgeheim. De voornaamste voorbeelden, die dit principe uitvoeren, worden hieronder uitgelegd.
Krachtens artikel 458bis van het Strafwetboek heeft de apotheker de mogelijkheid om aan de procureur des Konings feiten van aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, vrijwillige slagen en verwondingen, seksuele verminkingen, onthouding van voedsel en verzorging, gebrek aan onderhoud en het in de steek laten gepleegd tegen minderjarigen of personen die op basis van voorgedefinieerde criteria als kwetsbaar worden beschouwd, aan te geven wanneer hij van deze feiten kennis neemt in bepaalde omstandigheden. Deze omstandigheden werden beschreven in het advies van de Nationale Raad van 27 maart 2012, “Beroepsgeheim – Wet met wijziging van artikel 458bis SW”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd14.
Sinds 2017 wordt de apotheker ook toegelaten door artikel 458ter van het Strafwetboek om vertrouwelijke informatie zonder risico op strafrechtelijke vervolging mee te delen in het kader van een overleg dat door de wet wordt georganiseerd of door de procureur des Konings wordt toegelaten om hetzij de fysieke en psychische integriteit van de persoon of van derden, hetzij de openbare veiligheid of de veiligheid van de Staat te beschermen. Zie hieromtrent de communicaties van de Nationale Raad van 7 juni 2017, “Standpunt Nationale Raad v/d Orde over de opheffing van het beroepsgeheim in geval van ‘gevaarlijke’ personen”, en van 11 augustus 2017, “Aanvullende informatie met betrekking tot de publicatie inzake het beroepsgeheim”, die op de website van de Orde werden gepubliceerd.
Het artikel 3, § 1, lid 3 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voorziet de mogelijkheid om modaliteiten voor de verwerking van gezondheidsgegevens van patiënten via Koninklijk besluit te bepalen “met het oog op het opsporen van geneesmiddelengebonden problemen”. Zo voorziet artikel 41 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers de gevallen waarin de apotheker verplicht is de inhoud van de voorschriften mee te delen, zelfs zonder de toestemming van de patiënt. Het artikel 39, § 2 breidt deze plicht uit tot andere documenten die in de apotheek worden bewaard (bestel- en leveringsbons, farmaceutische dossiers en dossiers voor de voortgezette farmaceutische zorg…). Deze gevallen worden in detail beschreven en uitgelegd in het advies van de Nationale Raad van 20 juni 2011, “Beroepsgeheim – mededeling inhoud medisch voorschrift”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd. Voor een concrete toepassing van artikel 41 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009, zie ook het advies van de Nationale Raad van 28 november 2011, “Beroepsgeheim – Mededeling aan de verzekeraar en de voorlopige bewindvoerder”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd.
Er is ook geen inbreuk op het beroepsgeheim wanneer de apotheker de informatie meedeelt aan de vertrouwenspersoon die de patiënt heeft aangewezen krachtens artikel 7, § 2 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Het feit dat een persoon geneesmiddelen voor een andere persoon in de apotheek komt halen, maakt haar niet automatisch tot zijn vertrouwenspersoon in de zin van de wet (deze persoon is vaak enkel zijn gemachtigde). De apotheker moet daarvoor aandachtig zijn om geen inbreuk op de bepalingen met betrekking tot het beroepsgeheim te plegen. Het is de patiënt die de identiteit en de hoedanigheid van zijn vertrouwenspersoon aan de apotheker moet communiceren; de apotheker mag deze informatie in het dossier van de patiënt opnemen. In het geval van minderjarige patiënten zijn de ouders niet automatisch de vertrouwenspersonen. Ze oefenen echter in principe de rechten van de patiënt, waaronder het recht op informatie, in plaats van de minderjarigen uit en de minderjarigen worden betrokken bij de uitoefening van deze rechten rekening houdend met hun leeftijd en maturiteit (wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 12). De apotheker zou toch inzage in het dossier van een minderjarige patiënt aan zijn ouders kunnen weigeren om de persoonlijke levenssfeer en de intimiteit van de minderjarige te beschermen, indien het verzoek niet in zijn belang wordt geformuleerd (wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 15, § 1)15. Bovendien oefenen de minderjarigen die volgens de beroepsbeoefenaar “tot een redelijke beoordeling van hun belangen in staat” zijn zelf hun rechten autonoom uit: informatie met betrekking tot deze minderjarige onthullen aan zijn ouders zou in hoofde van de apotheker kunnen beschouwd worden als een schending van het beroepsgeheim.
Bovendien mag een apotheker alle nuttige of noodzakelijke inlichtingen van farmaceutische aard betreffende een patiënt aan een ander behandelend beoefenaar meedelen op verzoek of met akkoord van de patiënt om hetzij de diagnose, hetzij de behandeling voort te zetten of te vervolledigen, en dit zonder het beroepsgeheim te schenden op basis van artikels , van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van gezondheidszorgberoepen (dat zal vervangen worden door 19 en 36 en volgende van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg ten laatste vanaf 1 juli 2022). Overeenkomstig deze bepalingen heeft de andere beoefenaar toegang tot deze gegevens mits de naleving van vijf voorwaarden: de voorafgaande toestemming van de patiënt, het bestaan van een therapeutische relatie met de patiënt, een finaliteit van zorgverstrekking, de noodzaak van de toegang voor de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverstrekking en de beperking van de toegang tot de gegevens die gunstig en pertinent zijn in het kader van de zorgverstrekking.
Uit een gecombineerde lezing van artikel 9, § 2, c) van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en artikel 422bis van het Strafwetboek over het niet-bijstaan van iemand in levensgevaar kan een spreekplicht in hoofde van de apotheker worden afgeleid wanneer de vitale belangen van een persoon moeten gevrijwaard worden. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de apotheker door een ziekenhuis wordt gecontacteerd om de geneesmiddelen te kennen die aan een patiënt in coma die werd opgenomen, werden afgeleverd.
Overeenkomstig de Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, moet de apotheker ook alle (pogingen tot) verdachte transacties met betrekking tot precursoren voor explosieven binnen een termijn van 24 uren aan de overheid melden, alsook indien mogelijk de identiteit van de patiënt die de auteur is van de (poging tot) transactie16. De verdachte bestellingen en transacties van bepaalde drugsprecursoren moeten ook genotificeerd worden op basis van verschillende teksten van Europees recht17.
Onlangs werd een nieuwe vrijstelling van het beroepsgeheim ingevoerd voor alle gezondheidszorgberoepsbeoefenaars in het kader van de strijd tegen het Coronavirus om hen toe te laten de databanken, die werden gecreëerd om de geteste en besmette personen te identificeren, in te vullen, alsook deel te nemen aan het contactopsporingssysteem wanneer ze zelf besmet of vermoedelijk besmet zijn. Hieromtrent werd een communicatie van de Nationale Raad van 10 juli 2020, “Afwijking van het beroepsgeheim in het kader van de COVID-19 gezondheidscrisis”, gepubliceerd op de website van de Orde.
- Noodtoestand
Naast de expliciet voorziene afwijkingen van het beroepsgeheim laat een andere rechtvaardigingsgrond in sommige gevallen toe de door het beroepsgeheim gedekte informatie te onthullen, met name de noodtoestand.
De noodtoestand is de situatie waarin een persoon zich bevindt die redelijkerwijze geen andere middelen heeft dan een inbreuk te plegen om een gelijk of hoger belang te waarborgen dan het belang dat de inbreuk opoffert. Om het beroepsgeheim te overtreden moeten echter volgens de rechtspraak verschillende voorwaarden voldaan zijn: het belang dat wordt prijsgegeven moet lager zijn dan of tenminste gelijk zijn aan het belang dat men wil vrijwaren; het te vrijwaren recht of belang loopt een dadelijk en ernstig gevaar; de schade kan alleen door het misdrijf worden voorkomen; de betrokkene heeft de noodtoestand niet zelf doen ontstaan18.
Dit wetende moet de apotheker dus in eer en geweten een afweging maken tussen de verschillende waarden. Dit zijn per definitie gevoelige situaties waarin het waardenconflict enkel zal kunnen opgelost worden na een genuanceerde overweging die rekening houdt met alle betrokken omstandigheden.
Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de apotheker verneemt dat zijn patiënt het slachtoffer is van strafbare feiten, buiten de bovenvermelde gevallen die in artikel 458bis van het Strafwetboek worden voorzien (bijv.: een patiënte, die zich niet in een situatie van kwetsbaarheid in de zin van deze bepaling bevindt, is het slachtoffer van huiselijk geweld). In zo’n geval zal de apotheker moeten evalueren of de aangifte van de feiten aan de politiediensten en dus de inbreuk op het beroepsgeheim gerechtvaardigd is en of er geen andere oplossing mogelijk is die de geheimen die vertrouwelijk werden gedeeld, vrijwaart. Het vertrouwenskader waarin vertrouwelijke mededelingen gedaan worden, moet inderdaad gewaarborgd worden niet alleen in het voordeel van de betrokken patiënt zelf, maar ook van alle patiënten. Het is alleen als zijn eigen acties mislukken en als hij overtuigd is van een onmiddellijk gevaar voor zijn patiënt dat de apotheker acties zal mogen ondernemen die het beroepsgeheim overtreden krachtens de noodtoestand.
Een ander geval is de situatie waarin de patiënt de auteur is van een strafbaar feit. De apotheker die bijvoorbeeld één van zijn patiënten herkent in het kader van een oproep tot getuigen die hem voorstelt als verdachte van moord of als zijnde betrokken bij een gewelddadige overval kan waarschijnlijk beschouwen dat het gevaar voor de openbare veiligheid dat zijn patiënt veroorzaakt, rechtvaardigt dat hij de identiteit van deze patiënt aan de politie meedeelt op basis van de noodtoestand. Indien de apotheker zelf het slachtoffer is van de door de patiënt gepleegde inbreuk (bijv. diefstal in de apotheek) behoudt de apotheker natuurlijk zijn recht om een klacht tegen hem in te dienen zonder echter farmaceutische gegevens die hem betreffen te mogen meedelen. Hij mag echter niet zijn naam doorgeven aan alle confraters van de regio of andere gegevens die hem kunnen identificeren (initialen, foto…).
________________________
De met het beroepsgeheim verbonden vragen blijven complex en de apotheker bevindt zich soms in delicate situaties waarin hij niet weet welke houding aan te nemen. In geval van twijfel kan de apotheker altijd contact opnemen met zijn Provinciale Raad en/of de juridische dienst van de Nationale Raad van de Orde der Apothekers. De inspecteurs van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten of de beroepsverenigingen zijn ook gesprekpartners die nuttige hulp kunnen verlenen indien nodig.
Zie het Strafwetboek, art. 458, 458bis en 458ter. Zie ook de adviezen die op de website van de Orde gepubliceerd zijn (zoeken naar het woord “beroepsgeheim”).
Het moet onderstreept worden dat de gegevens die door de apotheker worden verzameld ook worden beschermd in het kader van de regelgeving betreffende de bescherming van de levenssfeer. Betreffende deze vragen zie voornamelijk de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens of Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Sommige patiëntengegevens die door de apotheker worden verwerkt, genieten van een aanvullende bescherming gezien hun gevoelig karakter. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het Rijksregisternummer waarvan het gebruik en het delen strikt gereglementeerd zijn door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
- Veel apothekers zijn vóór hun Provinciale Raden moeten verschijnen omdat ze zich, zonder dit te willen, hebben bemoeid met de echtscheidingsprocedure van een patiëntenkoppel. De lijst van afgeleverde geneesmiddelen, waaronder voorschriftplichtige geneesmiddelen, kan enkel aan de echtgenoot van een patiënt overhandigd worden met de schriftelijke toestemming van deze laatste krachtens artikel 41 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers. Overtreedt het beroepsgeheim niet de verklaring die door de apotheker wordt geschreven en die het bezoek bevestigt van de echtgenoot van een patiënt die vroeg naar de redenen voor de aflevering van bepaalde producten. Zo’n verklaring die daarna in het kader van een echtscheidingsprocedure wordt gebruikt, lijkt echter onvoorzichtig en moet bijgevolg vermeden worden.
- In een zaak waar de ex-partner van een patiënte de kopij van de formule van haar magistrale bereiding die een apotheek hem bezorgde, gebruikte in het kader van een procedure met betrekking tot de voogdij van hun gezamenlijke kinderen heeft de Conseil d’appel belangrijke principes betreffende de contouren van het beroepsgeheim vastgesteld. Zo herinnerde hij eraan dat de mededeling aan derden van feiten of informatie die aan de apotheker worden toevertrouwd strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. Echter “om strafbaar te zijn, moet de mededeling betrekking hebben op feiten of elementen die onbekend waren of onbekend gebleven waren voor de derde aan wie ze worden meegedeeld”. Hier was de ex-partner van de patiënte naar de officina gekomen met de pot waarin de bereiding stak en waarop de formule stond en hij had naar een meer leesbare kopij ervan gevraagd. De apotheker kon dus terecht aannemen dat het verzoek om de formule te reproduceren op een gemakkelijker leesbaar medium van de patiënte zelf kwam.
- Het feit dat een apotheker aan alle confraters van de regio doorgeeft dat een bepaalde patiënt van geneesmiddelenmisbruik verdacht is door middelen die de identificatie van de patiënt mogelijk maken (bijv. door initialen, foto of kopij van een vermoedelijk vals voorschrift op sociale media te plaatsen), is een inbreuk op het beroepsgeheim. Het artikel 17 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers voorziet dat de apotheker de voorschrijver moet informeren in zo’n situatie. Betreffende de te ondernemen acties in geval van misbruik van geneesmiddelen, het gebruik van valse voorschriften of medical shopping, zie het dossier “Misbruik van geneesmiddelen, overconsumptie en beroepsgeheim” [AS1] op de website van de Orde.
- Een apotheker kan het beroepsgeheim inroepen tegen een ambtenaar van de belastingdienst die hem een lijst vraagt van producten die aan een overleden belastingplichtige werden afgeleverd tijdens een bepaalde periode. Het artikel 334 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen voorziet dan dat de ambtenaar een verzoek kan richten tot de territoriaal bevoegde tuchtoverheid om te bepalen of en in welke mate het verzoek verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim. Voor meer algemene informatie betreffende het beroepsgeheim in de fiscale context, zie het advies van 23 maart 2021, “Fiscale controle en beroepsgeheim van de apotheker”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd.
- In het kader van problemen rond een erfenis werd een apotheker gecontacteerd door een andere om de afleveringen aan een overledene patiënte over een periode van 10 jaar te analyseren. Men vermoedde een misbruik van de bankkaart van de overledene en de rechtbank die belast was met het dossier had aangeraden om dit te doen. Het is een toepassing van artikel 9, § 4 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, dat het recht op inzage in het dossier van de patiënt na zijn overlijden modaliseert wegens het voortduren van het beroepsgeheim. Verschillende voorwaarden worden gesteld: het verzoek tot inzage in het dossier moet komen hetzij van de echtgenoot of partner van de overledene, hetzij van een bloedverwant tot en met de tweede graad (ouders, kinderen, grootouders, kleinkinderen of broers/zussen); de inzage is indirect en wordt gedaan door een andere beroepsbeoefenaar, bijvoorbeeld een apotheker (rekening houdend met mogelijke belangenconflicten tussen hem en de verzoeker(s)); het verzoek tot inzage houdt geen recht in om een kopij te nemen van het dossier ook al mag de beroepsbeoefenaar nota’s nemen om een schriftelijk verslag te schrijven; het verzoek tot inzage moet gemotiveerd (zelfs eventueel door materiële belangen) en precies zijn, wat moet toelaten om de inzage te beperken tot enkel pertinente elementen; de overleden patiënt heeft zich niet uitdrukkelijk verzet tijdens zijn leven tegen de inzage in zijn dossier door zijn naasten.
Onderstaande tabel geeft een gebruiksvriendelijke tool aan de apothekers om snel en gemakkelijk een antwoord te vinden op de volgende vraag: krachtens de regels m.b.t. het beroepsgeheim mag ik/moet ik al dan niet informatie/ gegevens meedelen?
De tabel wordt in twee delen verdeeld al naargelang een verzoek tot informatie aan de apotheker wordt geadresseerd of de apotheker zelf het initiatief neemt om informatie mee te delen. In functie van de gesprekspartner en de situatie wordt er vermeld of de communicatie van informatie mogelijk is dan wel verplicht.
Deze tabel is zeker niet exhaustief en zal nog verfijnd worden in de toekomst. Voor meer uitleg m.b.t. sommige van de in de tabel opgenomen gevallen, zie de commentaar onder bovenstaand artikel 22 van de Code.
- 12
“Om gebonden te zijn aan de geheimhoudingsplicht is het voldoende dat [de apotheker] door zijn eigen bevindingen of gevolgtrekking door of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep of van zijn functies feiten heeft ontdekt waartoe [hij] buiten de uitoefening van zijn beroep geen toegang zou hebben gehad” (Cass., 4 november 2020, P.20.0709.F).
- 13
Het beroepsgeheim wordt beschouwd als zijnde “van openbare orde”.
- 14
Voor meer informatie betreffende deze bepaling, zie ook het punt IV.2.1. van het advies van de Nationale Raad van de Orde der Artsen van 30 september 2013, “Medisch geheim en justitie” (beschikbaar op volgende pagina: https://ordomedic.be/nl/adviezen/deontologie/beroepsgeheim/medisch-geheim-en-justitie).
- 15
Dezelfde principes – uitoefening van de rechten van de patiënt in plaats van de persoon door een vertegenwoordiger en mogelijkheid om inzage in het dossier te weigeren om de patiënt te beschermen – zijn toepasselijk op meerderjarige personen die “niet in staat zijn om hun rechten zelf uit te oefenen” hetzij tijdelijk, hetzij definitief (bijvoorbeeld wegens een ziekte, een geestelijke beperking…). De vertegenwoordiging van deze personen wordt georganiseerd op basis van een cascadesysteem door artikel 14 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
- 16
Meer informatie is beschikbaar op de website van de FOD Economie.
- 17
Meer informatie is beschikbaar op de website van het FAGG.
- 18
Zie bijv. Cass., 24 januari 2007.