Artikel 22

De apotheker is onderworpen aan het beroepsgeheim (art. 458 van het Strafwetboek).
Dit beroepsgeheim strekt zich uit tot alles wat hem uit hoofde van zijn beroep werd toevertrouwd of ter kennis gebracht, evenals tot alles wat hij vaststelt of ontdekt in het kader van zijn beroepsuitoefening.
De apotheker waakt erover dat het beroepsgeheim wordt gerespecteerd door de personen die onder zijn toezicht staan.

Het beroepsgeheim is een gevoelig thema dat nog altijd het voorwerp is van veel discussies. Het gaat hem om fundamentele waarden en het roept vragen op bij de apotheker in zijn relatie met de patiënt. In plaats van een theoretische gedetailleerde studie van het onderwerp is het de bedoeling van deze commentaar om aan de hand van nuttige verwijzingen de fundamentele beginselen kort te herhalen en de apotheker te helpen in zijn dagelijkse praktijk dankzij concrete casussen.

Het beroepsgeheim vindt zijn grondslag niet alleen in de persoonlijke vertrouwensrelatie die tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar moet bestaan zodat kwaliteitsvolle farmaceutische zorg kan verstrekt worden op een individueel niveau, maar ook in het algemeen belang dat een algemeen vertrouwen in de gezondheidszorgberoepen eist om de toegang tot de zorg en de bescherming van de volksgezondheid te waarborgen. De apotheker is gebonden door het beroepsgeheim krachtens het artikel 458 van het Strafwetboek dat hem dwingt om te zwijgen over de “geheimen die hem zijn toevertrouwd”. Dit begrip werd nergens in detail gedefinieerd en het is onmogelijk om een exhaustieve lijst van de geviseerde elementen op te stellen. Zoals gesteld door artikel 22 van de Code dekt dit niet alleen de informatie die aan de apotheker wordt onthuld of door hem wordt vernomen uit hoofde van zijn beroep maar ook de informatie die hij heeft vastgesteld of ontdekt in het kader van zijn beroepsuitoefening12. De Conseil d’appel van de Orde der Apothekers heeft bijvoorbeeld het volgende gesteld: zelfs als een officina een plaats is die toegankelijk is voor het publiek “moet het loutere feit dat men er binnengaat, worden beschouwd als een geheime daad die de apotheker niet mag meedelen aan derden”; anders is het vertrouwen dat de patiënt in de apotheker stelt, geschonden. Inlichtingen van financiële, maatschappelijke, familiale, psychologische… aard over een patiënt waarvan de apotheker kennis neemt in het kader van zijn beroepsuitoefening worden ook beschermd door het beroepsgeheim.

Farmaceutisch-technisch assistenten zijn ook gebonden door het beroepsgeheim. In de voor het publiek opengestelde officina’s heeft de apotheker-titularis een bijzondere verantwoordelijkheid in dit opzicht, want hij is belast met de uitvoering van de goede praktijken door alle personeelsleden, met inbegrip van de behandeling met respect voor het privéleven van de patiënten van alle informatie die ze in het kader van de uitoefening van hun beroep ontvangen. De personeelsleden (apotheker, niet-apotheker, onderhoudspersoneel, stagiaire…) verplichten zich hiertoe door middel van een vertrouwelijkheidsverklaring (zie het punt F.1 van de Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken, gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers).

De plicht tot naleving van het beroepsgeheim brengt met zich mee dat de officina-apotheker de apotheek zo moet inrichten dat een vertrouwelijke dialoog met de patiënt mogelijk is (cfr. artikel 82 van de Code). Betreffende de vertrouwelijkheidsruimte die in de apotheek moet voorzien worden, zie de commentaar onder artikel 82 van de Code; zie ook artikel 23 van de Code en de commentaar die daarmee gepaard gaat.

Het beroepsgeheim blijft bestaan zelfs in geval van overlijden van de patiënt (zie de hieronder vermelde voorbeelden).

De niet-naleving van het beroepsgeheim is vatbaar voor strafrechtelijke sancties en heeft bovendien burgerlijke en tuchtgevolgen. Om strafbaar te zijn, moet er een bekendmaking zijn aan één of meerdere derden ongeacht de wijze van de bekendmaking (mondeling of schriftelijk, in het kader van een privé gesprek of tijdens een publiek debat…) en moet de derde(n) kennis hebben genomen van de bekendmaking (de poging tot inbreuk op het beroepsgeheim is niet strafbaar). Om strafbaar te zijn, moet de bekendmaking van het toevertrouwde geheim ook vrijwillig zijn. Het is echter niet vereist dat dit gebeurt met de bedoeling om schade toe te brengen.

Ondanks het belang dat het recht aan dit principe toekent13 is het beroepsgeheim niet absoluut. Er bestaan situaties waarin de apotheker informatie, die in principe door het beroepsgeheim is gedekt, mag of zelfs moet onthullen. Dit zijn vaak situaties waar geen duidelijke “zwart-wit” oplossing mogelijk is maar waar een genuanceerde aanpak aangewezen is.

  • Getuigenis in rechte

Het artikel 458 van het Strafwetboek heft de geheimhoudingsplicht op in geval van getuigenis in rechte. Met “getuigenis in rechte” worden alle verklaringen bedoeld die voor een onderzoeksrechter of een bodemrechter, zij het een burgerrechtelijke of strafrechtelijke rechter worden afgelegd. De verklaringen die aan de politiediensten of het parket worden afgelegd, vallen niet binnen deze categorie. Het gaat hier om een mogelijkheid om te spreken en geen verplichting: in zo’n situatie moet de apotheker altijd in eer en geweten evalueren of het noodzakelijk en nuttig is, o.a. in het belang van de justitie en de gerechtelijke waarheid, om informatie die door het beroepsgeheim wordt gedekt, te onthullen; hij mag dus zwijgen voor zover hij hierdoor het beroepsgeheim niet van zijn doel afwendt en geen rechtsmisbruik maakt.

Een apotheker zou bijvoorbeeld opgeroepen kunnen worden om te getuigen voor de politierechtbank in een verkeerszaak waarin één van zijn patiënten betrokken is om te verduidelijken welke geneesmiddelen aan hem werden afgeleverd enkele uren vóór het ongeval dat hij heeft veroorzaakt. Indien de apotheker zelf persoonlijk betrokken is bij een procedure, bijvoorbeeld op basis van zijn beroepsaansprakelijkheid, laten de rechten van de verdediging hem toe om de door het beroepsgeheim gedekte informatie te gebruiken om zich te verdedigen.

Een zelfde opheffing van het beroepsgeheim bestaat voor de getuigenis voor een parlementaire onderzoekscommissie.

  • Toelating of verplichting van de wet

In het strafrecht wordt aanvaard dat er geen inbreuk is wanneer het plegen ervan is geëist of toegelaten door de wet. Hetzelfde principe is van toepassing op het beroepsgeheim. De voornaamste voorbeelden, die dit principe uitvoeren, worden hieronder uitgelegd.

Krachtens artikel 458bis van het Strafwetboek heeft de apotheker de mogelijkheid om aan de procureur des Konings feiten van aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, vrijwillige slagen en verwondingen, seksuele verminkingen, onthouding van voedsel en verzorging, gebrek aan onderhoud en het in de steek laten gepleegd tegen minderjarigen of personen die op basis van voorgedefinieerde criteria als kwetsbaar worden beschouwd, aan te geven wanneer hij van deze feiten kennis neemt in bepaalde omstandigheden. Deze omstandigheden werden beschreven in het advies van de Nationale Raad van 27 maart 2012, “Beroepsgeheim – Wet met wijziging van artikel 458bis SW”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd14.

Sinds 2017 wordt de apotheker ook toegelaten door artikel 458ter van het Strafwetboek om vertrouwelijke informatie zonder risico op strafrechtelijke vervolging mee te delen in het kader van een overleg dat door de wet wordt georganiseerd of door de procureur des Konings wordt toegelaten om hetzij de fysieke en psychische integriteit van de persoon of van derden, hetzij de openbare veiligheid of de veiligheid van de Staat te beschermen. Zie hieromtrent de communicaties van de Nationale Raad van 7 juni 2017, “Standpunt Nationale Raad v/d Orde over de opheffing van het beroepsgeheim in geval van ‘gevaarlijke’ personen”, en van 11 augustus 2017, “Aanvullende informatie met betrekking tot de publicatie inzake het beroepsgeheim”, die op de website van de Orde werden gepubliceerd.

Het artikel 3, § 1, lid 3 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voorziet de mogelijkheid om modaliteiten voor de verwerking van gezondheidsgegevens van patiënten via Koninklijk besluit te bepalen “met het oog op het opsporen van geneesmiddelengebonden problemen”. Zo voorziet artikel 41 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers de gevallen waarin de apotheker verplicht is de inhoud van de voorschriften mee te delen, zelfs zonder de toestemming van de patiënt. Het artikel 39, § 2 breidt deze plicht uit tot andere documenten die in de apotheek worden bewaard (bestel- en leveringsbons, farmaceutische dossiers en dossiers voor de voortgezette farmaceutische zorg…). Deze gevallen worden in detail beschreven en uitgelegd in het advies van de Nationale Raad van 20 juni 2011, “Beroepsgeheim – mededeling inhoud medisch voorschrift”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd. Voor een concrete toepassing van artikel 41 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009, zie ook het advies van de Nationale Raad van 28 november 2011, “Beroepsgeheim – Mededeling aan de verzekeraar en de voorlopige bewindvoerder”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd.

Er is ook geen inbreuk op het beroepsgeheim wanneer de apotheker de informatie meedeelt aan de vertrouwenspersoon die de patiënt heeft aangewezen krachtens artikel 7, § 2 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Het feit dat een persoon geneesmiddelen voor een andere persoon in de apotheek komt halen, maakt haar niet automatisch tot zijn vertrouwenspersoon in de zin van de wet (deze persoon is vaak enkel zijn gemachtigde). De apotheker moet daarvoor aandachtig zijn om geen inbreuk op de bepalingen met betrekking tot het beroepsgeheim te plegen. Het is de patiënt die de identiteit en de hoedanigheid van zijn vertrouwenspersoon aan de apotheker moet communiceren; de apotheker mag deze informatie in het dossier van de patiënt opnemen. In het geval van minderjarige patiënten zijn de ouders niet automatisch de vertrouwenspersonen. Ze oefenen echter in principe de rechten van de patiënt, waaronder het recht op informatie, in plaats van de minderjarigen uit en de minderjarigen worden betrokken bij de uitoefening van deze rechten rekening houdend met hun leeftijd en maturiteit (wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 12). De apotheker zou toch inzage in het dossier van een minderjarige patiënt aan zijn ouders kunnen weigeren om de persoonlijke levenssfeer en de intimiteit van de minderjarige te beschermen, indien het verzoek niet in zijn belang wordt geformuleerd (wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 15, § 1)15. Bovendien oefenen de minderjarigen die volgens de beroepsbeoefenaar “tot een redelijke beoordeling van hun belangen in staat” zijn zelf hun rechten autonoom uit: informatie met betrekking tot deze minderjarige onthullen aan zijn ouders zou in hoofde van de apotheker kunnen beschouwd worden als een schending van het beroepsgeheim.

Bovendien mag een apotheker alle nuttige of noodzakelijke inlichtingen van farmaceutische aard betreffende een patiënt aan een ander behandelend beoefenaar meedelen op verzoek of met akkoord van de patiënt om hetzij de diagnose, hetzij de behandeling voort te zetten of te vervolledigen, en dit zonder het beroepsgeheim te schenden op basis van artikels , van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van gezondheidszorgberoepen (dat zal vervangen worden door 19 en 36 en volgende van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg ten laatste vanaf 1 juli 2022). Overeenkomstig deze bepalingen heeft de andere beoefenaar toegang tot deze gegevens mits de naleving van vijf voorwaarden: de voorafgaande toestemming van de patiënt, het bestaan van een therapeutische relatie met de patiënt, een finaliteit van zorgverstrekking, de noodzaak van de toegang voor de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverstrekking en de beperking van de toegang tot de gegevens die gunstig en pertinent zijn in het kader van de zorgverstrekking.

Uit een gecombineerde lezing van artikel 9, § 2, c) van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en artikel 422bis van het Strafwetboek over het niet-bijstaan van iemand in levensgevaar kan een spreekplicht in hoofde van de apotheker worden afgeleid wanneer de vitale belangen van een persoon moeten gevrijwaard worden. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de apotheker door een ziekenhuis wordt gecontacteerd om de geneesmiddelen te kennen die aan een patiënt in coma die werd opgenomen, werden afgeleverd.

Overeenkomstig de Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, moet de apotheker ook alle (pogingen tot) verdachte transacties met betrekking tot precursoren voor explosieven binnen een termijn van 24 uren aan de overheid melden, alsook indien mogelijk de identiteit van de patiënt die de auteur is van de (poging tot) transactie16. De verdachte bestellingen en transacties van bepaalde drugsprecursoren moeten ook genotificeerd worden op basis van verschillende teksten van Europees recht17.

Onlangs werd een nieuwe vrijstelling van het beroepsgeheim ingevoerd voor alle gezondheidszorgberoepsbeoefenaars in het kader van de strijd tegen het Coronavirus om hen toe te laten de databanken, die werden gecreëerd om de geteste en besmette personen te identificeren, in te vullen, alsook deel te nemen aan het contactopsporingssysteem wanneer ze zelf besmet of vermoedelijk besmet zijn. Hieromtrent werd een communicatie van de Nationale Raad van 10 juli 2020, “Afwijking van het beroepsgeheim in het kader van de COVID-19 gezondheidscrisis”, gepubliceerd op de website van de Orde.

  • Noodtoestand

Naast de expliciet voorziene afwijkingen van het beroepsgeheim laat een andere rechtvaardigingsgrond in sommige gevallen toe de door het beroepsgeheim gedekte informatie te onthullen, met name de noodtoestand.

De noodtoestand is de situatie waarin een persoon zich bevindt die redelijkerwijze geen andere middelen heeft dan een inbreuk te plegen om een gelijk of hoger belang te waarborgen dan het belang dat de inbreuk opoffert. Om het beroepsgeheim te overtreden moeten echter volgens de rechtspraak verschillende voorwaarden voldaan zijn: het belang dat wordt prijsgegeven moet lager zijn dan of tenminste gelijk zijn aan het belang dat men wil vrijwaren; het te vrijwaren recht of belang loopt een dadelijk en ernstig gevaar; de schade kan alleen door het misdrijf worden voorkomen; de betrokkene heeft de noodtoestand niet zelf doen ontstaan18.

Dit wetende moet de apotheker dus in eer en geweten een afweging maken tussen de verschillende waarden. Dit zijn per definitie gevoelige situaties waarin het waardenconflict enkel zal kunnen opgelost worden na een genuanceerde overweging die rekening houdt met alle betrokken omstandigheden.

Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de apotheker verneemt dat zijn patiënt het slachtoffer is van strafbare feiten, buiten de bovenvermelde gevallen die in artikel 458bis van het Strafwetboek worden voorzien (bijv.: een patiënte, die zich niet in een situatie van kwetsbaarheid in de zin van deze bepaling bevindt, is het slachtoffer van huiselijk geweld). In zo’n geval zal de apotheker moeten evalueren of de aangifte van de feiten aan de politiediensten en dus de inbreuk op het beroepsgeheim gerechtvaardigd is en of er geen andere oplossing mogelijk is die de geheimen die vertrouwelijk werden gedeeld, vrijwaart. Het vertrouwenskader waarin vertrouwelijke mededelingen gedaan worden, moet inderdaad gewaarborgd worden niet alleen in het voordeel van de betrokken patiënt zelf, maar ook van alle patiënten. Het is alleen als zijn eigen acties mislukken en als hij overtuigd is van een onmiddellijk gevaar voor zijn patiënt dat de apotheker acties zal mogen ondernemen die het beroepsgeheim overtreden krachtens de noodtoestand.

Een ander geval is de situatie waarin de patiënt de auteur is van een strafbaar feit. De apotheker die bijvoorbeeld één van zijn patiënten herkent in het kader van een oproep tot getuigen die hem voorstelt als verdachte van moord of als zijnde betrokken bij een gewelddadige overval kan waarschijnlijk beschouwen dat het gevaar voor de openbare veiligheid dat zijn patiënt veroorzaakt, rechtvaardigt dat hij de identiteit van deze patiënt aan de politie meedeelt op basis van de noodtoestand. Indien de apotheker zelf het slachtoffer is van de door de patiënt gepleegde inbreuk (bijv. diefstal in de apotheek) behoudt de apotheker natuurlijk zijn recht om een klacht tegen hem in te dienen zonder echter farmaceutische gegevens die hem betreffen te mogen meedelen. Hij mag echter niet zijn naam doorgeven aan alle confraters van de regio of andere gegevens die hem kunnen identificeren (initialen, foto…).

________________________

De met het beroepsgeheim verbonden vragen blijven complex en de apotheker bevindt zich soms in delicate situaties waarin hij niet weet welke houding aan te nemen. In geval van twijfel kan de apotheker altijd contact opnemen met zijn Provinciale Raad en/of de juridische dienst van de Nationale Raad van de Orde der Apothekers. De inspecteurs van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten of de beroepsverenigingen zijn ook gesprekpartners die nuttige hulp kunnen verlenen indien nodig.

Zie het Strafwetboek, art. 458, 458bis en 458ter. Zie ook de adviezen die op de website van de Orde gepubliceerd zijn (zoeken naar het woord “beroepsgeheim”).

Het moet onderstreept worden dat de gegevens die door de apotheker worden verzameld ook worden beschermd in het kader van de regelgeving betreffende de bescherming van de levenssfeer. Betreffende deze vragen zie voornamelijk de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens of Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Sommige patiëntengegevens die door de apotheker worden verwerkt, genieten van een aanvullende bescherming gezien hun gevoelig karakter. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het Rijksregisternummer waarvan het gebruik en het delen strikt gereglementeerd zijn door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

  • Veel apothekers zijn vóór hun Provinciale Raden moeten verschijnen omdat ze zich, zonder dit te willen, hebben bemoeid met de echtscheidingsprocedure van een patiëntenkoppel. De lijst van afgeleverde geneesmiddelen, waaronder voorschriftplichtige geneesmiddelen, kan enkel aan de echtgenoot van een patiënt overhandigd worden met de schriftelijke toestemming van deze laatste krachtens artikel 41 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers. Overtreedt het beroepsgeheim niet de verklaring die door de apotheker wordt geschreven en die het bezoek bevestigt van de echtgenoot van een patiënt die vroeg naar de redenen voor de aflevering van bepaalde producten. Zo’n verklaring die daarna in het kader van een echtscheidingsprocedure wordt gebruikt, lijkt echter onvoorzichtig en moet bijgevolg vermeden worden.
  • In een zaak waar de ex-partner van een patiënte de kopij van de formule van haar magistrale bereiding die een apotheek hem bezorgde, gebruikte in het kader van een procedure met betrekking tot de voogdij van hun gezamenlijke kinderen heeft de Conseil d’appel belangrijke principes betreffende de contouren van het beroepsgeheim vastgesteld. Zo herinnerde hij eraan dat de mededeling aan derden van feiten of informatie die aan de apotheker worden toevertrouwd strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. Echter “om strafbaar te zijn, moet de mededeling betrekking hebben op feiten of elementen die onbekend waren of onbekend gebleven waren voor de derde aan wie ze worden meegedeeld”. Hier was de ex-partner van de patiënte naar de officina gekomen met de pot waarin de bereiding stak en waarop de formule stond en hij had naar een meer leesbare kopij ervan gevraagd. De apotheker kon dus terecht aannemen dat het verzoek om de formule te reproduceren op een gemakkelijker leesbaar medium van de patiënte zelf kwam.
  • Het feit dat een apotheker aan alle confraters van de regio doorgeeft dat een bepaalde patiënt van geneesmiddelenmisbruik verdacht is door middelen die de identificatie van de patiënt mogelijk maken (bijv. door initialen, foto of kopij van een vermoedelijk vals voorschrift op sociale media te plaatsen), is een inbreuk op het beroepsgeheim. Het artikel 17 van het Koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers voorziet dat de apotheker de voorschrijver moet informeren in zo’n situatie. Betreffende de te ondernemen acties in geval van misbruik van geneesmiddelen, het gebruik van valse voorschriften of medical shopping, zie het dossier “Misbruik van geneesmiddelen, overconsumptie en beroepsgeheim” [AS1] op de website van de Orde.
  • Een apotheker kan het beroepsgeheim inroepen tegen een ambtenaar van de belastingdienst die hem een lijst vraagt van producten die aan een overleden belastingplichtige werden afgeleverd tijdens een bepaalde periode. Het artikel 334 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen voorziet dan dat de ambtenaar een verzoek kan richten tot de territoriaal bevoegde tuchtoverheid om te bepalen of en in welke mate het verzoek verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim. Voor meer algemene informatie betreffende het beroepsgeheim in de fiscale context, zie het advies van 23 maart 2021, “Fiscale controle en beroepsgeheim van de apotheker”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd.
  • In het kader van problemen rond een erfenis werd een apotheker gecontacteerd door een andere om de afleveringen aan een overledene patiënte over een periode van 10 jaar te analyseren. Men vermoedde een misbruik van de bankkaart van de overledene en de rechtbank die belast was met het dossier had aangeraden om dit te doen. Het is een toepassing van artikel 9, § 4 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, dat het recht op inzage in het dossier van de patiënt na zijn overlijden modaliseert wegens het voortduren van het beroepsgeheim. Verschillende voorwaarden worden gesteld: het verzoek tot inzage in het dossier moet komen hetzij van de echtgenoot of partner van de overledene, hetzij van een bloedverwant tot en met de tweede graad (ouders, kinderen, grootouders, kleinkinderen of broers/zussen); de inzage is indirect en wordt gedaan door een andere beroepsbeoefenaar, bijvoorbeeld een apotheker (rekening houdend met mogelijke belangenconflicten tussen hem en de verzoeker(s)); het verzoek tot inzage houdt geen recht in om een kopij te nemen van het dossier ook al mag de beroepsbeoefenaar nota’s nemen om een schriftelijk verslag te schrijven; het verzoek tot inzage moet gemotiveerd (zelfs eventueel door materiële belangen) en precies zijn, wat moet toelaten om de inzage te beperken tot enkel pertinente elementen; de overleden patiënt heeft zich niet uitdrukkelijk verzet tijdens zijn leven tegen de inzage in zijn dossier door zijn naasten.

Onderstaande tabel geeft een gebruiksvriendelijke tool aan de apothekers om snel en gemakkelijk een antwoord te vinden op de volgende vraag: krachtens de regels m.b.t. het beroepsgeheim mag ik/moet ik al dan niet informatie/ gegevens meedelen? 

De tabel wordt in twee delen verdeeld al naargelang een verzoek tot informatie aan de apotheker wordt geadresseerd of de apotheker zelf het initiatief neemt om informatie mee te delen. In functie van de gesprekspartner en de situatie wordt er vermeld of de communicatie van informatie mogelijk is dan wel verplicht. 

Deze tabel is zeker niet exhaustief en zal nog verfijnd worden in de toekomst. Voor meer uitleg m.b.t. sommige van de in de tabel opgenomen gevallen, zie de commentaar onder bovenstaand artikel 22 van de Code.

Beslissingsboom
  • 12

    “Om gebonden te zijn aan de geheimhoudingsplicht is het voldoende dat [de apotheker] door zijn eigen bevindingen of gevolgtrekking door of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep of van zijn functies feiten heeft ontdekt waartoe [hij] buiten de uitoefening van zijn beroep geen toegang zou hebben gehad” (Cass., 4 november 2020, P.20.0709.F).

  • 13

    Het beroepsgeheim wordt beschouwd als zijnde “van openbare orde”.

  • 14

    Voor meer informatie betreffende deze bepaling, zie ook het punt IV.2.1. van het advies van de Nationale Raad van de Orde der Artsen van 30 september 2013, “Medisch geheim en justitie” (beschikbaar op volgende pagina: https://ordomedic.be/nl/adviezen/deontologie/beroepsgeheim/medisch-geheim-en-justitie).

  • 15

    Dezelfde principes – uitoefening van de rechten van de patiënt in plaats van de persoon door een vertegenwoordiger en mogelijkheid om inzage in het dossier te weigeren om de patiënt te beschermen – zijn toepasselijk op meerderjarige personen die “niet in staat zijn om hun rechten zelf uit te oefenen” hetzij tijdelijk, hetzij definitief (bijvoorbeeld wegens een ziekte, een geestelijke beperking…). De vertegenwoordiging van deze personen wordt georganiseerd op basis van een cascadesysteem door artikel 14 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

  • 16

    Meer informatie is beschikbaar op de website van de FOD Economie.

  • 17

    Meer informatie is beschikbaar op de website van het FAGG.

  • 18

Artikel 1

De uitoefening van de artsenijbereidkunde beantwoordt aan een opdracht van volksgezondheid en vervult een sociale en humanitaire rol: het behoud of het herstel van de gezondheid van de patiënten.
De apotheker staat ten dienste van de volksgezondheid. Hij voert zijn beroepsactiviteit uit in het belang van de gezondheid van de patiënt. Gedurende heel zijn loopbaan oefent hij met bekwaamheid en toewijding zijn taak uit.

Artikel 2

Hij leeft de wettelijke voorschriften en reglementeringen na die de uitoefening van de artsenijbereidkunde regelen.

Artikel 3

Hij handelt steeds in een geest van loyaliteit, collegialiteit en confraterniteit.

Artikel 4

Hij ontplooit zijn beroepsactiviteiten in overeenstemming met de structuren inzake gezondheidszorg.

Artikel 5

Hij respecteert de principes van waardigheid, moraliteit, eer, bescheidenheid, eerlijkheid en toewijding in zijn beroepsuitoefening.
Zelfs buiten het kader van de uitoefening van zijn beroep, vermijdt hij alle handelingen of gedragingen, die hieraan afbreuk doen, zoniet kan de patiënt het vertrouwen verliezen dat hij in het beroep in het algemeen, alsook in de apotheker in het bijzonder, mag stellen.

Artikel 6

Op basis van zijn wetenschappelijke opleiding en op een objectieve en kritische manier, verstrekt hij enkel farmaceutische zorg en producten van hoge kwaliteit.

Artikel 7

Het is zijn plicht om zijn deskundigheid op peil te houden en zijn wetenschappelijke kennis steeds actueel te houden.

Artikel 8

Hij schenkt bijzondere aandacht aan het onthaal van elkeen in de apotheek. Hij is luisterbereid en verleent advies en gepaste farmaceutische zorg aan de patiënt.

Artikel 9

De apotheker verstrekt informatie die steeds waarheidsgetrouw, objectief, verifieerbaar en begrijpelijk is voor de patiënt.

Artikel 10

Hij is gebonden door het beroepsgeheim. Hij garandeert de vertrouwelijkheid en de bescherming van het privéleven van de patiënt.

Artikel 11

Hij waakt over het respecteren van de vrije keuze van apotheek door de patiënt.

Artikel 12

Hij zorgt voor de continuïteit in de zorgverlening.

Artikel 13

Hij neemt collegiaal deel aan de wachtdienst.

Artikel 14

Hij vrijwaart zijn onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep: hij is verantwoordelijk voor alle handelingen die door hemzelf of onder zijn toezicht worden verricht.

Artikel 15

Hij oefent in de eerste plaats een gezondheidszorgberoep uit, wat inhoudt dat zijn activiteit niet verward mag worden met de uitbating van een handelszaak.
In het belang van de volksgezondheid en om het vertrouwen van de patiënt niet te schaden, vermijdt hij in zijn beroepsactiviteit elke commerciële overdrijving.

Artikel 16

Hij verleent zoveel mogelijk zijn medewerking aan activiteiten die de volksgezondheid en in het bijzonder de artsenijbereidkunde dienen.

Artikel 17

De apotheker streeft ernaar de belangen van de patiënt te dienen door zijn bekwaamheid en toewijding ten dienste te stellen van iedereen zonder enige vorm van discriminatie.

Artikel 18

De apotheker schenkt aandacht aan het onthaal van de patiënt die zich aanmeldt in de apotheek. Hij zorgt ervoor dat een vertrouwelijk gesprek in alle discretie mogelijk is.
Om de vertrouwensrelatie met de patiënt te verzekeren, worden in elke communicatie met de patiënt de juiste identiteit en hoedanigheid van elk lid van het apotheekteam kenbaar gemaakt.

Artikel 19

De apotheker helpt de patiënt naar best vermogen. Hij luistert naar hem, informeert hem correct en adviseert hem binnen de grenzen van zijn deskundigheid, zonder enige diagnose te stellen.

Artikel 20

De apotheker is een gezondheidsadviseur. Van hem worden luisterbereidheid, toewijding, bekwaamheid, objectiviteit en eerlijkheid verwacht.

Artikel 21

Indien de apotheker dit nodig acht, raadt hij de patiënt aan een arts of een andere gezondheidszorgbeoefenaar te raadplegen, die vrij door de patiënt gekozen kan worden.

Artikel 22

De apotheker is onderworpen aan het beroepsgeheim (art. 458 van het Strafwetboek).
Dit beroepsgeheim strekt zich uit tot alles wat hem uit hoofde van zijn beroep werd toevertrouwd of ter kennis gebracht, evenals tot alles wat hij vaststelt of ontdekt in het kader van zijn beroepsuitoefening.
De apotheker waakt erover dat het beroepsgeheim wordt gerespecteerd door de personen die onder zijn toezicht staan.

Artikel 23

De apotheker verstrekt diensten aan de patiënt op vertrouwelijke en discrete wijze zodat het privéleven van de patiënt steeds wordt gerespecteerd.

Artikel 24

De apotheker waakt erover dat zijn burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid naar behoren is verzekerd.

Artikel 25

De continuïteit van de zorg en de behoorlijke organisatie van de wachtdienst verplichten elke apotheek aan de wachtdienst deel te nemen. De titularis van de apotheek verzekert de effectieve uitvoering van deze verplichting.
De apotheek kan slechts uitzonderlijk en met akkoord van de andere deelnemers aan de wachtdienst van zijn wachtdienstverplichtingen worden vrijgesteld.

Artikel 26

In het kader van de organisatie van de wachtdienst binnen de officina, wanneer één of meerdere adjunct-apothekers in dienst zijn, staan de titularis en adjunct(en) solidair in voor deze wachtdienst.

Artikel 27

Tijdens de wachtdienst houdt elke apotheker zich aan het wachtreglement.

Artikel 28

Elke apotheker maakt de wachtdienstregeling duidelijk kenbaar aan het publiek.

Artikel 29

Gezien het collegiaal karakter van de wachtdienst, waakt de apotheker erover zijn wachtdienst te volbrengen in een geest van solidariteit ten aanzien van zijn confraters.

Artikel 30

De apotheker heeft het recht een redelijk wachthonorarium te innen met respect voor de toepasselijke wetgeving. Hij brengt de patiënt het bedrag van het honorarium vooraf ter kennis.

Artikel 31

De apotheker verzekert de continuïteit van de zorg op elk ogenblik en in alle omstandigheden.
Tijdens de openingsuren, alsook tijdens de wachtdienst is minstens één apotheker aanwezig in de apotheek.
De apothekers zijn verplicht overleg te plegen om de continuïteit van de zorg te waarborgen buiten hun openingsuren en tijdens hun sluitingsperiodes.

Artikel 32

Bij sluiting van de apotheek wegens onvoorziene omstandigheden, neemt de apotheker alle nodige maatregelen om de continuïteit van de zorg te handhaven.

Artikel 33

Bij buitengewone omstandigheden, zoals epidemieën, grote rampen, enz. schikt de apotheker zich naar de instructies van de bevoegde autoriteiten.

Artikel 34

Na de voorlegging van het voorschrift of na het verzoek door de patiënt levert de apotheker het geneesmiddel zo snel mogelijk af. Enkel het belang van de gezondheid van de patiënt en van de volksgezondheid wordt in aanmerking genomen. Noch de geaardheid van de persoon, noch de aard van het product mogen een rol spelen bij de aflevering. De prijs van het geneesmiddel mag geen reden zijn om de aflevering of de bestelling van het geneesmiddel te weigeren.

Artikel 35

Zonder afbreuk te doen aan de rechten van de patiënt, aan de continuïteit van de zorg of aan de uitvoering van het voorschrift, heeft de apotheker het recht om de aflevering te weigeren wegens gewetensbezwaren.
In dit geval verwijst hij de patiënt door naar een apotheek waar het product in kwestie zeker afgeleverd kan worden. Zo niet, voert de apotheker het voorschrift of het verzoek van de patiënt toch uit.
Tijdens de wachtdienst wijkt de gewetensclausule steeds voor het recht van de patiënt op continuïteit van de zorg.

Artikel 36

De apotheker waakt steeds over de continuïteit en de kwaliteit van de zorg en over de conformiteit ervan met de voorgeschreven behandeling.
Bij enige twijfel over het voorschrift, de aard van de voorgeschreven producten, de farmaceutische vorm, de dosis, de frequentie van toediening, de neveneffecten, de interacties of een verkeerd gebruik, wendt de apotheker zich tot de voorschrijver.
Indien de voorschrijver onbereikbaar is en in geval de aflevering niet kan worden uitgesteld, handelt de apotheker op basis van de beschikbare wetenschappelijke informatie en de geldende standaarden. Hij verwittigt de voorschrijver zo vlug mogelijk.

Artikel 37

Behalve in dringende gevallen en tijdens de wachtdiensten, mag de apotheker een geneesmiddel niet vervangen zonder het voorafgaand akkoord van de voorschrijvende arts. Indien de wet substitutie toestaat, leeft de apotheker de opgelegde voorwaarden na.

Artikel 38

Behoudens uitzondering voorzien in de wet wordt elk geneesmiddel persoonlijk door de apotheker of onder zijn toezicht aan de patiënt, zijn vertegenwoordiger of zijn gemachtigde overhandigd in de apotheek.

Artikel 39

Bij de aflevering verstrekt de apotheker de nodige farmaceutische zorg en informeert hij de patiënt duidelijk over de werking van het geneesmiddel, de contra-indicaties, de nevenwerkingen, de interacties, de eventueel te nemen voorzorgsmaatregelen, de dosissen en de gebruiksaanwijzing, zonder evenwel het vertrouwen te ondermijnen dat de patiënt stelt in de zorgverstrekker die het product heeft voorgeschreven of aanbevolen.

Artikel 40

De apotheker waakt over de voortgezette farmaceutische zorg van de patiënt.
Hij houdt zijn farmaceutisch dossier bij en actualiseert het.

Artikel 41

In het belang van de patiënt raadt de apotheker enkel geneesmiddelen en producten aan waarvan hij de kwaliteit en farmacologische en therapeutische werking kent. Hij documenteert zich in dit verband en schaaft zijn niveau van wetenschappelijke kennis voortdurend bij. Hij beperkt zich niet tot de informatie die door commerciële bedrijven of laboratoria verstrekt wordt.

Artikel 42

De apotheker laat zich bij de keuze van het product niet leiden door zuiver economische motieven.

Artikel 43

Bij zelfmedicatie verzet de apotheker zich tegen elke overconsumptie die hij vermoedt of vaststelt. In deze context waarschuwt hij de patiënt voor de mogelijke risico’s en gevaren en raadt hem aan een arts of een andere gezondheidszorgbeoefenaar te raadplegen.

Artikel 44

Indien er aanwijzingen zijn die op overconsumptie of verkeerd gebruik van geneesmiddelen wijzen, neemt de apotheker de nodige initiatieven in het belang van de patiënt en de volksgezondheid.

Artikel 45

Wat de aflevering betreft is de apotheker verantwoordelijk voor alle handelingen die hij stelt of waarop hij toezicht houdt.

Artikel 46

De wet staat de aflevering bij de patiënt thuis slechts toe in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden.
Deze wijze van aflevering gebeurt met de grootste discretie.
De apotheker zorgt hierbij eveneens voor het verstrekken van de nodige informatie over het juiste gebruik van het geneesmiddel.

Artikel 47

De apotheker mag niets ondernemen om de wettelijke bepalingen inzake de aflevering van geneesmiddelen te omzeilen. In geen geval kan geduld worden dat er leveringen van geneesmiddelen gebeuren zonder daadwerkelijk toezicht door de apotheker.

Artikel 48

De apotheker verzekert de aflevering van geneesmiddelen aan personen die in gemeenschap leven overeenkomstig de toepasselijke wetgeving. Hij waakt over de kwaliteit van deze aflevering aan elke individuele patiënt. Dit vereist een voortdurende evaluatie en aanpassing van de afleverings-, bewarings- en distributiemodaliteiten van geneesmiddelen binnen deze gemeenschap.

Artikel 49

Om gepersonaliseerde, kwaliteitsvolle farmaceutische zorg te verzekeren, zijn gegroepeerde bestellingen van geneesmiddelen voor personen die niet in gemeenschap leven in de zin van de toepasselijke wetgeving, niet toegelaten.

Artikel 50

Apothekers zijn elkaar onderlinge hulp en bijstand verschuldigd. In hun onderlinge contacten geven zij blijk van solidariteit en confraterniteit.

Artikel 51

De apotheker ziet erop toe dat zijn medewerkers hun beroep overeenkomstig alle wettelijke, reglementaire en deontologische voorschriften kunnen uitoefenen.

Artikel 52

De apotheker-titularis behandelt zijn adjunct-apothekers en apothekers-plaatsvervangers als confraters, zonder enige vorm van discriminatie.

Artikel 53

Alle overeenkomsten tussen apothekers zijn oprecht en eerlijk; zij worden in een geest van confraterniteit nageleefd.
Elke collusie tussen apothekers is verboden.

Artikel 54

De apotheker mag de medewerkers van een confrater er niet toe aanzetten bij deze laatste weg te gaan. Hij informeert zijn naburige confrater over de indienstname van een ex-werknemer van deze.

Artikel 55

De apotheker onthoudt zich, zowel in het openbaar als privé, van woorden of handelingen die zijn confraters of het imago van het beroep schade kunnen berokkenen.

Artikel 56

Om een goede farmaceutische zorg te waarborgen, geeft de apotheker, conform de wettelijke en reglementaire bepalingen, op verzoek of met akkoord van de patiënt of zijn gemachtigde, aan zijn confrater de inlichtingen die nuttig of noodzakelijk zijn om de continuïteit en de kwaliteit van de zorg en hun conformiteit met de voorgeschreven behandelingen te verzekeren.

Artikel 57

De apotheker kan tijdens zijn schorsing geen enkele handeling stellen die behoort tot de activiteiten van een apotheek, noch aanwezig zijn in een apotheek tijdens de activiteitsperiode ervan.

Artikel 58

De apotheker-titularis verzekert zich ervan dat de adjunct- en plaatsvervangende apothekers voldoen aan de wettelijke vereisten om de artsenijbereidkunde uit te oefenen.

Artikel 59

De apotheker onderhoudt met de voorschrijvende artsen en met de andere gezondheidszorgbeoefenaars in de zin van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen een correcte relatie, steunend op onderlinge samenwerking. Met toestemming van de patiënt wisselt hij loyaal met hen alle gegevens uit die nuttig of noodzakelijk zijn in het belang van de patiënt.
De apotheker onthoudt zich, zowel in het openbaar als privé, van beledigende, lasterlijke of valse commentaren over andere gezondheidszorgbeoefenaars.

Artikel 60

Elke collusie tussen apothekers en andere gezondheidszorgbeoefenaars is verboden.
Vormen van samenwerking tussen apothekers en andere zorgverstrekkers die zijn opgestart in het belang van de patiënt en de kwaliteit van de zorg en die de onafhankelijkheid van de apotheker en de vrije keuze van de patiënt waarborgen, zijn daarentegen aanvaardbaar.

Artikel 61

Elke medewerking verleend aan personen die een onwettig gezondheidszorgberoep in de zin van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen beoefenen, is verboden.

Artikel 62

In dezelfde geest zijn de artikelen 59, 60 en 61 ook van toepassing op de relaties met dierenartsen en met de beroepsbeoefenaars bedoeld in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen.

Artikel 63

De apotheker onderhoudt een goede relatie met de verzekeringsinstellingen.

Artikel 64

De apotheker werkt mee aan de kostenbeheersing op het vlak van de gezondheidsuitgaven zonder daarbij het belang van de patiënt uit het oog te verliezen.

Artikel 65

De apotheker kiest zorgvuldig zijn leveranciers van geneesmiddelen, medische hulpstukken en gezondheidsproducten en let daarbij op aspecten als kwaliteit, dienstverlening, betrouwbaarheid en continuïteit van de bevoorrading.

Artikel 66

In alle omstandigheden is elke apotheker deontologisch aansprakelijk voor alle handelingen die onder zijn toezicht verricht worden.

Artikel 67

De apotheker-titularis verzekert zich ervan dat zijn personeelsleden aan de wettelijke vereisten voldoen en over de nodige beroepsbekwaamheden beschikken voor de uitoefening van hun functie.

Artikel 68

De apotheker-titularis zorgt voor optimale werkomstandigheden en houdt toezicht op alle werkzaamheden van de apotheek.

Artikel 69

De apotheker-titularis creëert in zijn apotheek een sfeer van vertrouwen en samenwerking met het hele personeel. Hij waakt er in het bijzonder over dat de bekwaamheid en de toewijding van zijn medewerkers op peil blijven.

Artikel 70

De apotheker aanvaardt slechts om een stagiair te begeleiden indien hij aan de door de betrokken universiteit opgelegde criteria voldoet om voor zijn vorming in te staan.

Artikel 71

De apotheker-stagemeester deelt zijn beroepskennis met de stagiair en stelt alle documentatie ter beschikking die nuttig is voor een praktische en volwaardige opleiding van hoog niveau.
Hij betrekt hem bij alle activiteiten van de apotheek.
In geen geval mag de stagemeester van zijn functie misbruik maken om enige druk op de stagiair uit te oefenen.

Artikel 72

De apotheker-stagemeester brengt de stagiair eerbied en toewijding aan het beroep bij. Hij dient hem tot voorbeeld op professioneel en deontologisch vlak.
Hij vestigt speciaal de aandacht op de praktische toepassing van de deontologie.

Artikel 73

In het belang van de patiënt die recht heeft op kwaliteitszorg is het de plicht van de apotheker zijn onafhankelijkheid te bewaren en de principes en regels van de farmaceutische plichtenleer te doen respecteren.
Dit is onder andere van toepassing op alle betrekkingen die de apotheker onderhoudt met personen, verenigingen, commerciële vennootschappen, die, in welke hoedanigheid dan ook, betrokken zijn bij de verkoop, de informatie over en de distributie van geneesmiddelen en andere producten die afgeleverd worden in de apotheek.

Artikel 74

Elke arbeidsovereenkomst die een apotheker aangaat, waarborgt zijn onafhankelijkheid op deontologisch en professioneel vlak en zijn verantwoordelijkheid bij de aflevering van geneesmiddelen.
De arbeidsovereenkomst kan voor advies voorgelegd worden aan de Provinciale Raad.

Artikel 75

De gegevensbanken van de apotheek, van welke aard ook, vallen onder de verantwoordelijkheid van de apotheker-titularis die alle noodzakelijke maatregelen neemt om het beroepsgeheim en de persoonlijke levenssfeer van de patiënt te beschermen.

Artikel 76

Elke collusie tussen apothekers en derden is verboden.

Artikel 77

De apotheker zorgt ervoor dat de lokalisatie van de officina in overeenstemming is met de toepasselijke wetgeving. Hij verzekert zich ervan dat de inplanting ervan geen afbreuk doet aan de specifieke identiteit van de apotheek, verbonden met de noodwendigheden van de volksgezondheid, noch afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de apotheker.
Wanneer de apotheek over meerdere ingangen beschikt, moeten die allemaal volledig kunnen afgesloten worden om de apotheek duidelijk te kunnen afscheiden van de eventuele andere aangrenzende ruimtes.
Alle ingangen van de apotheek zijn als zodanig herkenbaar.
De apotheker zorgt ervoor dat de apotheek gemakkelijk toegankelijk is tijdens de wachtdienst.

Artikel 78

Elke apotheek is voorzien van een duidelijk zichtbaar kenteken zodat de patiënt de apotheek gemakkelijk herkent, ondermeer tijdens de wachtdienst.
Dit kenteken duidt een plaats van volksgezondheid aan en is daarom sober. Apotheek-gerelateerde, praktische en informatieve vermeldingen zijn aanvaardbaar.

Artikel 79

In overeenstemming met de toepasselijke regelgeving voldoet het buitenaanzicht van de apotheek aan de normen van de beroepsethiek en laat het toe de apotheek gemakkelijk te herkennen.
Aan de buitenkant worden de naam(namen) van de apotheker(s)-titularis(sen), de openingsuren van de apotheek en informatie betreffende de wachtdienst vermeld.
Elke bijkomende vermelding mag niet misleidend zijn voor de patiënt, noch de geloofwaardigheid van de apotheker aantasten.

Artikel 80

De apotheker-titularis beslist volledig onafhankelijk over de inrichting van de apotheek, rekening houdend met de toepasselijke reglementering en wetgeving.
Deze inrichting verzekert in alle omstandigheden een onafhankelijke en volledig autonome werking van de apotheek.Terwijl het personeel dat aan de apotheek is toegewezen, in de apotheek werkt mag het niet gelijktijdig een andere functie uitoefenen in een aangrenzende ruimte.

Artikel 81

Teneinde met name zijn onafhankelijkheid te vrijwaren, en omwille van het beroepsgeheim waaraan hij gehouden is, mag de apotheker in geen geval enige ruimte in de apotheek onder welke voorwaarden dan ook ter beschikking stellen van derden.
Een uitzondering op deze regel kan voorafgaandelijk toegekend worden door de Nationale Raad in het kader van initiatieven met betrekking tot de volksgezondheid.

Artikel 82

Gezien zijn plicht tot onthaal en vertrouwelijkheid, zoals bepaald in de artikelen 17 tot en met 23, zorgt de apotheker door de inrichting van de apotheek ervoor dat een vertrouwelijk gesprek met de patiënt mogelijk is.

Artikel 83

De apotheker waakt er steeds over dat de apotheek haar eigenheid, gebonden aan de vereisten van de volksgezondheid, bewaart.
Hij waakt erover dat de apotheek niet wordt herleid tot een louter commerciële ruimte.
Hij geeft daarom de voorkeur aan een sobere en functionele inrichting. Dit geldt ook voor de wijze van voorstelling van de producten.

Artikel 84

De apotheek is zodanig ingericht dat de geneesmiddelen niet binnen handbereik van de patiënt staan.

Artikel 85

De apotheker zorgt ervoor dat hij zijn beroep kan uitoefenen in optimale hygiënische omstandigheden. Hierbij volgt hij de van toepassing zijnde regels en aanbevelingen.

Artikel 86

De apotheker-titularis zorgt ervoor dat er tijdens de wachtdienst degelijke verblijfsvoorzieningen voorzien zijn.

Artikel 87

In overeenstemming met de wettelijke en reglementaire bepalingen, kunnen in de apotheek naast geneesmiddelen enkel producten en diensten, bestemd voor de preventie, het behoud en/of het herstel van de menselijke of dierlijke gezondheid, en bestemd voor het welzijn van de patiënt, aangeboden worden.
De onschadelijkheid van deze producten, de kwaliteit ervan, evenals de kwaliteit van de aangeboden diensten, zijn door de apotheker gekend.
De apotheker waakt erover dat deze producten en diensten beantwoorden aan de bestaande reglementering en wetgeving evenals aan de criteria toegevoegd als bijlage bij deze Code.

Artikel 88

De apotheker spant zich in om het leefmilieu te beschermen. Hij vermijdt alle activiteiten die het leefmilieu kunnen schaden. Hij verleent zijn medewerking aan de georganiseerde inzamelingen en aan de vernietiging van vervallen of niet gebruikte geneesmiddelen.

Artikel 89

De apotheker is een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep in de zin van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Zijn voornaamste rol en tevens sociale opdracht bestaat er derhalve in om de bevolking kwaliteitsvolle farmaceutische zorg te verzekeren en adequaat gezondheidsadvies te verstrekken.
Met dit doel voor ogen neemt hij alleen ondernemingsinitiatieven die in overeenstemming zijn met het belang van de patiënt, het algemeen belang inzake volksgezondheid, de waardigheid van het beroep en zijn eigen geloofwaardigheid.
Hij onthoudt zich van alle praktijken die, alhoewel ze op zich niet laakbaar of onwettig zijn, de uitoefening van de artsenijbereidkunde een handelskarakter geven en zo zijn geloofwaardigheid en de vertrouwensrelatie met de patiënt en andere gezondheidszorgbeoefenaars in het gedrang brengen.

Artikel 90

De reputatie van de apotheker berust op zijn wetenschappelijke opleiding, zijn beroepsbekwaamheid en zijn deskundigheid in farmaceutische zorg.

Artikel 91

De apotheker-titularis van een voor het publiek geopende apotheek is, ongeacht of hij eigenaar is of niet, verantwoordelijk voor alle informatie, publiciteit en andere commerciële praktijken, ondernomen door of voor zijn apotheek, ongeacht de inhoud, het verspreidingskanaal of de modaliteiten.
Omwille van deze verantwoordelijkheid waakt de apotheker-titularis niet-eigenaar erover overlegmaatregelen uit te werken met de vergunninghouder betreffende elke informatie, publiciteit en andere commerciële praktijken gelinkt met de apotheek. Hij laat hiertoe de nodige bepalingen opnemen in zijn arbeidsovereenkomst.

Artikel 92

Van zodra hij er kennis van heeft, neemt de apotheker de nodige maatregelen om onmiddellijk elke praktijk die niet strookt met de bepalingen van deze Code te verhinderen of te doen ophouden, ook als die door derden, zelfs buiten zijn weten om, wordt gevoerd.

Artikel 93

De patiëntenbinding en het zoeken naar nieuwe patiënten door de verspreiding van informatie, publiciteit of andere commerciële praktijken zijn toegelaten binnen de beperkingen vastgesteld in deze Code.
Het is voor de apotheker verboden patiënten aan te trekken met methoden en middelen die disproportioneel zijn, die strijdig zijn met de waardigheid en de geloofwaardigheid van het beroep, die de vrije keuze van de patiënt aantasten of die niet stroken met adequate farmaceutische zorg.

Artikel 94

In het kader van zijn rol als zorgverstrekker, verantwoordelijk om de gezondheid te bevorderen en ziektes te voorkomen, mag de apotheker alle nuttige objectieve informatie die de kwaliteit van de zorg in het belang van de patiënt ondersteunt, verspreiden binnen en buiten de apotheek.

Artikel 95

Alle informatie verspreid door de apotheek dient objectief, eerlijk, waarheidsgetrouw en controleerbaar te zijn.

Artikel 96

De informatie mag niet rechtstreeks noch onrechtstreeks aanzetten tot enige vorm van overconsumptie of oneigenlijk gebruik.
Zij mag geen schade toebrengen aan de vertrouwensrelatie tussen patiënt en apotheker.

Artikel 97

Voorstellingsvorm, verspreidingswijze en verspreidingskanalen van de informatie blijven discreet en bescheiden.
Wanneer de informatie wordt verspreid buiten de apotheek, kiest de apotheker proportionele verspreidingskanalen die hij voldoende beheerst.

Artikel 98

Onder persoonlijke publiciteit wordt verstaan iedere publieke mededeling die tot doel heeft de apotheker of de apotheek te laten kennen of informatie te geven over de aard of de uitoefeningsmodaliteiten van zijn professionele activiteiten of aangeboden diensten.

Artikel 99

Persoonlijke publiciteit is toegelaten mits naleving van de wetgeving en de essentiële regels van het beroep. Ze is altijd verenigbaar met het belang van de patiënt en de volksgezondheid.

Artikel 100

Persoonlijke publiciteit is gebaseerd op objectieve, waarheidsgetrouwe en controleerbare elementen.
Deze publiciteit is oprecht, loyaal en respecteert het beroepsgeheim.
Ze heeft tot doel de keuze van een apotheek voor de patiënt te vergemakkelijken en de kwaliteit van de farmaceutische zorg te promoten, zonder de vrije keuze van de patiënt aan te tasten.
De apotheker zorgt ervoor dat de persoonlijke publiciteit
-     geen misleidende, kwetsende of agressieve vermeldingen bevat;
-     geen overdreven verwachtingen opwekt;
-     het beroep of derden niet in diskrediet brengt of geen schade aan de reputatie van het beroep of van derden toebrengt.

Artikel 101

Voorstellingsvorm, verspreidingswijze en verspreidingskanalen van de persoonlijke publiciteit blijven discreet en bescheiden.
Wanneer de persoonlijke publiciteit wordt verspreid buiten de apotheek, kiest de apotheker proportionele verspreidingskanalen die hij voldoende beheerst.

Artikel 102

Publiciteit voor geneesmiddelen is strikt gereglementeerd en wordt maar toegelaten mits naleving van de bepalingen voorzien in de wet.

Artikel 103

Publiciteit voor verzorgings- en gezondheidsproducten die geen geneesmiddelen zijn en die verkocht mogen worden in de apotheek, is toegelaten, voor zover ze in overeenstemming is met de waardigheid van het beroep en de geloofwaardigheid van de apotheker en voor zover ze de kwaliteit van de farmaceutische zorg geen schade toebrengt.

Artikel 104

De apotheker maakt enkel publiciteit voor in de apotheek verkochte producten, die geen geneesmiddelen zijn, waarvan hij de kwaliteit en actieprofiel kent.

Artikel 105

Publiciteit voor een in de apotheek verkocht product, dat geen geneesmiddel is, is loyaal, waarheidsgetrouw, niet misleidend en controleerbaar.
Ze bevat eventueel de nuttige waarschuwingen die noodzakelijk zijn voor het gebruik van het product.

Artikel 106

Voorstellingsvorm, verspreidingswijze en verspreidingskanalen van de publiciteit voor een in de apotheek verkocht product, dat geen geneesmiddel is, blijven discreet en bescheiden.
Wanneer de publiciteit wordt verspreid buiten de apotheek, kiest de apotheker proportionele verspreidingskanalen die hij voldoende beheerst.

Artikel 107

Publiciteit voor een in de apotheek verkocht product, dat geen geneesmiddel is, mag de vermelding van een prijsvermindering, een promotionele actie voor dit product of een ristorno bevatten voor zover zulke vermelding in overeenstemming is met de voorwaarden voorzien in de volgende artikelen betreffende commerciële praktijken.

Artikel 108

Commerciële praktijken van patiëntenbinding, ristorno’s en prijsverminderingen kunnen gebruikt worden met betrekking tot geneesmiddelen mits naleving van de toepasselijke reglementering. Voor andere in de apotheek verkochte producten zijn andere commerciële praktijken ook aanvaard, zoals promotionele acties.
Enkel voor zover al die commerciële praktijken met de nodige omzichtigheid en discretie worden toegepast, zijn ze toegelaten met dien verstande dat de essentiële regels en de waardigheid van het beroep alsook de geloofwaardigheid en de kwaliteit van de zorgverlening worden gerespecteerd.

Artikel 109

Commerciële praktijken met betrekking tot geneesmiddelen en andere in de apotheek verkochte producten mogen geen invloed hebben op de rol van de apotheker als gezondheidsraadgever en zorgverstrekker. De kwaliteit van de aangeboden diensten of producten primeert steeds waarbij de uitoefening van de artsenijbereidkunde niet gereduceerd wordt tot enkel een commerciële activiteit.

Artikel 110

Commerciële praktijken met betrekking tot geneesmiddelen en andere in de apotheek verkochte producten mogen enkel uitgevoerd worden met respect voor de volksgezondheid en in het belang van de patiënt.
De apotheker kiest voor een commerciële praktijk die aangepast is aan het betreffende product, rekening houdende met de eventuele risico’s van verkeerd gebruik ervan en met zijn onschadelijkheid.
Commerciële praktijken mogen niet aanzetten tot overconsumptie van geneesmiddelen of van producten die een risico voor de gezondheid inhouden.

Artikel 111

Commerciële praktijken met betrekking tot geneesmiddelen en andere in de apotheek verkochte producten mogen niet met gelijktijdige handelingen gepaard gaan die de volksgezondheid, het welzijn en de veiligheid van de patiënt, de waardigheid, de geloofwaardigheid, de bescheidenheid en de eerlijkheid van de apotheker in het gedrang kunnen brengen.

Artikel 112

Commerciële praktijken met betrekking tot geneesmiddelen en andere in de apotheek verkochte producten, ongeacht hun modaliteiten, komen rechtstreeks en integraal ten goede aan de patiënt, zonder zijn vrije keuze van apotheek te beperken.

Artikel 113

De praktijken voor patiëntenbinding zijn enkel toepasbaar op producten verkocht in de apotheek, zijn beperkt tot exclusief gebruik in de apotheek en mogen niet gebonden worden aan andere handelszaken.
Zij mogen geen gegevens bevatten die verband houden met het beroepsgeheim en zij mogen er evenmin toegang toe verlenen. Zij moeten de regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens respecteren.

Algemene opmerkingen

De in artikelen 114, 115 en 116 bedoelde concurrentiepraktijken zijn verschillend van de informatie, publiciteit (persoonlijk of voor producten) en commerciële praktijken met betrekking tot producten. Hier worden alle praktijken bedoeld die tot doel hebben een voordeel aan de apotheker te schenken die een specifieke dienst of product ten opzichte van anderen aanbiedt (bijv. overeenkomst met een mutualiteit om een brievenbus van deze in de apotheek te plaatsen om de transit van zorgattesten met het oog op terugbetaling te vergemakkelijken – zie hierover het advies van 3 december 2010, “Brievenbussen van ziekenfondsen aan de buitenkant van de apotheek”, dat op de website van de Orde werd gepubliceerd; samenwerking met een onderneming die online producten verkoopt met de bedoeling de apotheek als afhaalpunt aan te duiden – zie hierover de commentaar onder artikel 83 van de Code…).

Artikel 114

Concurrentiepraktijken mogen niet strijdig zijn met de wetgeving inzake de patiëntenrechten, de geneesmiddelen, de andere in de apotheek aangeboden producten en diensten, de bescherming van de consument en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, noch met de essentiële regels van het beroep.

Artikel 115

Concurrentiepraktijken mogen de volksgezondheid niet schaden, noch de vrije keuze van de patiënt verhinderen. Zij mogen de kwaliteit van de zorgverstrekking niet in gevaar brengen noch aanzetten tot overconsumptie.

Artikel 116

Concurrentiepraktijken mogen de eer en de waardigheid van het beroep, alsook de bescheidenheid, de geloofwaardigheid en de eerlijkheid van de apotheker niet in het gedrang brengen. Ze respecteren de confraterniteit.

Artikel 117

De website, verbonden aan een voor het publiek opengestelde apotheek, vormt het virtueel verlengstuk van de apotheek en maakt er integraal deel van uit.
De apotheker blijft volledig onderworpen aan de deontologische beginselen van het beroep, ongeacht of hij zijn activiteiten uitoefent in de fysieke apotheek, dan wel via een website. Hij verstrekt in beide gevallen farmaceutische zorg op dezelfde wijze en met dezelfde kwaliteit.
De apotheker kan via de website geen andere producten, diensten en activiteiten aanbieden dan deze die toegelaten zijn in de apotheek.

Artikel 118

De website staat onder de verantwoordelijkheid van de apotheker-titularis die ervoor zorgt dat deze website in overeenstemming is met de wetgeving en de deontologie.
De apotheker-titularis is verantwoordelijk voor alle mededelingen, publicaties en informatie op zijn website, inclusief de voorgestelde “links” naar andere websites.
Deze mededelingen, publicaties en informatie moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van titel 13 “De apotheker, de informatie, de publiciteit en commerciële praktijken”.

Artikel 119

De onthaalpagina van de website maakt, net zoals de voorgevel van de fysieke apotheek, de identificatie van de apotheek mogelijk en geeft toegang tot de inhoud van de website in een tweede stap.
Deze onthaalpagina vermeldt duidelijk minstens de naam van de apotheker-titularis, het geografisch adres, het telefoonnummer, het vergunningsnummer, de openingsuren van de apotheek en de informatie over de wachtdienst.

Artikel 120

Elke apotheker zorgt ervoor dat hij zijn onafhankelijkheid behoudt zowel ten aanzien van de vergunninghouder als binnen het apotheekteam wanneer hij zijn farmaceutische activiteiten uitoefent via een website.

Artikel 121

Het beroepsgeheim, dat in artikel 22 van deze Code wordt vermeld en waartoe elke apotheker gehouden is, wordt eveneens gerespecteerd bij de uitoefening van farmaceutische activiteiten via de website, en dit ongeacht de functies die de website biedt.

Artikel 122

De apotheker neemt alle nodige maatregelen om de naleving van de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te verzekeren, namelijk door het internetverkeer, hetzij via de website van de apotheek, hetzij via de elektronische adressen van de apotheek, te beveiligen.

Artikel 123

De website van de apotheek is een plaats voor de verstrekking van farmaceutische zorg.
De apotheker kiest een sobere en functionele voorstelling van de website in zijn geheel.
Wanneer producten te koop worden aangeboden, voorziet de site in elk geval een mogelijkheid tot interactieve en geïndividualiseerde dialoog tussen de apotheker en de patiënt.

Artikel 124

Aangezien de online apotheek het virtuele verlengstuk van de fysieke apotheek is, bevatten alle elektronische identificatiegegevens die de apotheek gebruikt naar het publiek toe, zoals het e-mailadres, de domeinnaam en de URL, minstens hetzij de naam van de apotheker-titularis, hetzij de naam van de apotheek zoals geregistreerd in het kadaster van apotheken bij het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten. Deze identificatiegegevens mogen geen termen bevatten die de geloofwaardigheid van de apotheker en de waardigheid van het beroep aantasten.
Wanneer producten te koop worden aangeboden op zijn website informeert de apotheker de Orde over alle in alinea 1 van dit artikel vermelde elektronische identificatiegegevens.

Artikel 125

Deze Code treedt in werking op 1 januari 2020 en vervangt alle bepalingen van toepassing op die datum.