Inleiding

Voorafgaande opmerking:
In deze Code wordt het woord “apotheker” (en het persoonlijk voornaamwoord “hij” dat het vervangt) gebruikt om zowel mannelijke als vrouwelijke apothekers aan te duiden.

 

De Orde der Apothekers werd opgericht bij wet van 19 mei 1949. De bepalingen van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 regelen de werking van de Orde.

Artikel 15, §1 van dit besluit bepaalt de bevoegdheden van de Nationale Raad, die hoofdzakelijk de opdracht krijgt de algemene beginselen en de regels voor de farmaceutische plichtenleer op te stellen en er de nodige aanpassingen in aan te brengen.

Volgens de bewoordingen van deze wettelijke bepaling bevat de Code met name regels betreffende de continuïteit van de zorg, waartoe ook het naleven van de wachtdiensten behoort, het beroepsgeheim, het doorgeven van documenten of farmaceutische informatie aan confraters en behandelende artsen. De Code regelt ook de individuele relaties tussen de apotheker enerzijds, de patiënten, de confraters, de artsen, de beoefenaars van de tandheelkunde, de dierenartsen en de paramedische beroepsbeoefenaars, anderzijds. In de Code worden de grondbeginselen geformuleerd die de sociale verplichtingen van de apotheker vastleggen.

Deze Code voorziet bepalingen die tot doel hebben de essentiële regels van het beroep van apotheker te vrijwaren, een beroep dat niet kan gereduceerd worden tot een louter commerciële verkoopactiviteit.

Gezien de evolutie van het beroep en van de samenleving, acht de Nationale Raad het aangewezen de deontologische Code regelmatig te actualiseren.

De artsenijbereidkunde maakt volwaardig deel uit van de geneeskunst en wordt beoefend met respect voor het principe van de therapeutische vrijheid en binnen de grenzen opgelegd door de vereisten van het beroep. Het beroep van apotheker is door zijn aard van belang voor de volksgezondheid, voor de bescherming van de gezondheid van de patiënten, voor de behandeling en de genezing van de patiënten.

Een degelijk onthaal, luisterbereidheid, bekwaamheid en toewijding zijn de voornaamste kwaliteiten die de patiënt terecht mag verwachten van zijn apotheker, die hij volledig moet kunnen vertrouwen.

Deze regels hebben tot doel een behoorlijke uitoefening van het beroep ten dienste van de patiënt en de volksgezondheid te verzekeren.

Ze zijn in hoofdstukken onderverdeeld, die overeenkomen met de verschillende aspecten van het beroep.

Deze regels gelden voor alle apothekers ingeschreven op de lijst van de Orde der Apothekers, zowel tijdens als buiten hun beroepsactiviteit.

Om de artsenijbereidkunde in België te mogen uitoefenen, is iedere apotheker wettelijk verplicht om op de lijst van de Orde ingeschreven te zijn (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 80).

 

De inleiding van de Code van farmaceutische plichtenleer bevat de algemene principes waarop de inhoud van de Code berust. De inleiding herinnert eraan dat de regels van de Code gelden voor alle personen die de artsenijbereidkunde in België wensen uit te oefenen.

Hierbij dient te worden onderstreept dat de regels van de Code niet de volledige deontologie uitmaken. Het Hof van Cassatie heeft inderdaad meermaals herhaald dat deontologische regels bestaan ongeacht of ze al dan niet in een formele tekst zijn opgenomen.

De Code heeft geen bindende kracht door Koninklijk besluit verkregen en is dus geen wet in de strikte zin van het woord. Volgens vaste rechtspraak moeten deze regels echter het gedrag van de op de lijst van de Orde ingeschreven apothekers sturen. Deze laatsten hebben de plicht om deze regels te respecteren. De tuchtinstanties mogen dus de bepalingen van de Code citeren en ernaar verwijzen, zonder ze toe te passen en zonder hun beslissingen erop uitdrukkelijk en formeel te baseren. Bij tuchtbeslissingen baseren de eventuele veroordelingen zich eerder op het bestaan van een inbreuk op de eer en de (geloof)waardigheid van het beroep.

De hervormde Code trad in werking op 1 januari 2020 en moet toegepast worden op alle zaken die sinds die datum ter kennis worden gebracht van de tuchtinstanties (wat de toepassing van de Code in de tijd betreft, zie de commentaar onder art. 125 van de Code).

De Code van farmaceutische plichtenleer bevat 125 artikelen die in twee hoofddelen worden ingedeeld1. Het eerste deel bevat de essentiële regels van het beroep en de algemene plichten van de apotheker die de basis van de farmaceutische deontologie vormen. Het tweede deel implementeert deze essentiële regels en algemene plichten in bepaalde specifieke materies, zoals de continuïteit van de zorg, de relaties met de confraters of andere gezondheidszorgbeoefenaars, publiciteit en internet.

De richtlijnen die een leidraad hebben gevormd voor de redactie en de herziening van deze bepalingen zijn de bescherming van de volksgezondheid, met inbegrip van de strijd tegen overconsumptie en de promotie van kwaliteitsvolle farmaceutische zorg, evenals de bescherming van het belang van de patiënt. Deze richtlijnen negeren echter niet de therapeutische vrijheid die inherent is aan de uitoefening van de artsenijbereidkunde en die de apothekers toelaat om vrij de middelen die ze aanwenden bij het verstrekken van gezondheidszorg te kiezen, binnen de perken van hun bevoegdheden en overeenkomstig relevante wetenschappelijke gegevens, hun expertise en de voorkeuren van de patiënt (krachtens de definitie van de therapeutische vrijheid van artikel 4 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg). Voor meer details over de inhoud en de grenzen van de therapeutische vrijheid van de apotheker, zie de commentaren onder artikelen 34 en volgende van de Code.

De deontologische regels gelden voor alle apothekers ingeschreven op de lijst van de Orde der Apothekers in het kader van hun beroepsactiviteit, ongeacht de aard van deze activiteit (klinisch biologisch onderzoek of activiteit in een ziekenhuis- of voor het publiek opengestelde apotheek), en indien toepasselijk, ongeacht het type afgeleverde producten (geneesmiddelen of zogenaamde parafarmacieproducten) of de afleveringsplaats (in de apotheek, thuis in de uitzonderlijke gevallen die in de wet voorzien worden of online). Het Hof van Cassatie heeft dat herhaald op 16 december 2016 (zie in dat verband de communicatie van 18 april 2017 die op de website van de Orde gepubliceerd werd: “Deontologie van toepassing op verkoop parafarmacie door apotheker”); het Grondwettelijk Hof heeft bevestigd dat “de activiteiten van apothekers één geheel uitmaken” (arrest nr. 97/2021 van 1 juli 2021, punt B.30.3). De deontologische regels gelden ook voor de apothekers buiten hun beroepsactiviteit (een confrater in het diskrediet brengen tijdens een privé feest, rijden onder invloed en een ongeval met zware gewonden veroorzaken… zijn voorbeelden van gedragingen die van privé-aard zijn maar die in voorkomend geval tot de tuchtvervolging van de apotheker zouden kunnen leiden afhankelijk van het feit of dit gevolgen heeft op de perceptie van de apotheker door de patiënten).

Iedere apotheker die de artsenijbereidkunde in België wenst uit te oefenen (behalve de legerapotheker die de artsenijbereidkunde enkel uitoefent binnen de uitoefening van zijn militair ambt) moet op de lijst van de Orde der Apothekers ingeschreven zijn en wordt dus onderworpen aan haar deontologie. Deze verplichting wordt voorzien in artikel 2 van het Koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der Apothekers; de artsenijbereidkunde wordt gedefinieerd in artikel 5/1 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen2.

Iedere officina moet onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere apotheker(s)-titularis(sen) geplaatst worden. De houder van de vergunning om de officina uit te baten – de eigenaar – moet echter niet noodzakelijk apotheker zijn. De vergunninghouder die geen apotheker is, wordt niet op de lijst van de Orde der Apothekers ingeschreven en mag geen handelingen, noch beperkingen aan de apotheker(s)-titularis(sen) opleggen die tot de niet-naleving van de hem/hen opgelegde wettelijke en deontologische vereisten kunnen leiden. Zie in dat verband artikel 8, alinea’s 5-6 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen en de communicatievan 9 april 2015 die op de website van de Orde gepubliceerd werd over de onafhankelijkheid van de officina-apotheker.

  • 1

    Het derde deel betreft enkel de vaststelling van de datum van in werking treden van de Code.

  • 2

    Krachtens artikel 1 van dezelfde wet is de artsenijbereidkunde een deel van de geneeskunst. In meer actuele bewoordingen maakt de artsenijbereidkunde deel uit van de gezondheidszorg en is de apotheker een gezondheidszorgberoepsbeoefenaar.