Basisbeginselen

Deel 13 van de Code van farmaceutische plichtenleer gaat uit van het feit dat de apotheker, die in de eerste plaats een gezondheidszorgberoepsbeoefenaar is, ook een onderneming is in de zin van het mededingingsrecht en het economisch recht in het algemeen41. Deze onderneming is echter bijzonder aangezien deze een gereglementeerd beroep uitoefent, dat onderworpen is aan een deontologie. De deontologie is van toepassing ongeacht of men al dan niet intellectuele prestaties uitoefent die kenmerkend zijn voor het beroep en dus ongeacht of het activiteiten betreffen die al dan niet onder het monopolie van de apotheker vallen. Het Grondwettelijk Hof heeft het verschil tussen beoefenaars van gezondheidszorgberoepen – waaronder de apotheker – en niet-beoefenaars van dergelijke beroepen bevestigd en heeft gesteld dat dit verschil redelijk verantwoord was “wegens de specifieke kenmerken van de gezondheidssector, wegens het algemeen belang inzake volksgezondheid en wegens de opdracht van de zorgverleners om de bevolking adequaat gezondheidsadvies te verstrekken en om de vertrouwensrelatie met de patiënt of de cliënt niet in het gedrang te brengen” (arrest nr. 97/2021 van 1 juli 2021, punt B.20.4).

Hiermee rekening houdend en aangezien de Orde der Apothekers zelf het mededingingsrecht en het economisch recht in het algemeen moet naleven, liggen volgende grondbeginselen aan de basis van deel 13 van de Code:

  • Principiële toelating van publiciteit en commerciële praktijken
    Publiciteit, restorno’s, prijsverminderingen, fideliseringspraktijken… moeten toegelaten worden.
    Elke informatie, publiciteit of commerciële praktijk, zoals een restorno of een prijsvermindering, heeft tot doel patiënten te binden of nieuwe patiënten te vinden. Patiënten “werven” is dus inherent aan deze praktijken; indien informatie, publiciteit en commerciële praktijken toegelaten worden, moet het “werven” ook toegelaten worden.
  • Noodzaak en proportionaliteit van eventuele beperkingen
    Vanwege het gereglementeerde karakter van het beroep van apotheker kunnen beperkingen, in voorkomend geval strikte, op de principiële toelating van publiciteit en commerciële praktijken voorzien worden mits naleving van twee voorwaarden:
        o   Deze beperkingen moeten noodzakelijk zijn om legitieme doelen te bereiken (zie hieronder);
        o   Deze beperkingen moeten proportioneel zijn met deze legitieme doelen, d.w.z. dat er geen andere minder zware beperkingen zijn om dezelfde doelen even efficiënt te kunnen bereiken.
  • Legitieme doelen
    Worden beschouwd als legitieme doelen om publiciteits- en commerciële praktijken te beperken: de bescherming van de volksgezondheid, de bescherming van de waardigheid/het imago van het beroep en de bescherming tegen overconsumptie van geneesmiddelen.

Het Grondwettelijk Hof heeft deze redenering gevalideerd in het arrest nr. 97/2021 van 1 juli 2021 (in het bijzonder punten B.28, B.29 en B.30.342).

Op basis hiervan heeft de Orde der Apothekers zich bij de uitwerking van deel 13 van de Code van farmaceutische plichtenleer laten leiden door volgende kernideeën:

  • De noodzaak om een evenwicht te vinden tussen de apotheker-ondernemer en de apotheker-zorgverstrekker.
  • De centrale missie van de apotheker is overeenkomstig de toepasselijke wetgeving en regelgeving de verstrekking van gezondheidszorg, waarvan de kwaliteit moet verzekerd worden.
  • De apotheker is geen gewone ondernemer en de “consument” tot wie hij zich richt is in de eerste plaats een patiënt die hij in alle omstandigheden een centrale plaats moet geven.
  • De beperkingen op publiciteits- en commerciële praktijken worden gemotiveerd door de risico’s van overconsumptie of misbruik en de risico’s voor de volksgezondheid waartoe deze praktijken aanleiding kunnen geven; betreffende de waardigheid van het beroep is het doel het imago van het beroep van apotheker, het vertrouwen van de patiënt in zijn apotheker en de kwaliteit van de zorg te vrijwaren.
  • Het werven van patiënten wordt gelinkt met de verspreidingsmodus (kanaal + doelgroep) van de informatie, publiciteit of commerciële praktijken. De grens tussen wat toegelaten is en wat verboden is wordt bepaald door een proportionaliteitsprincipe (zie ook beslissingsboom hieronder). Elke andere vorm van ronselen dan het werven dat gelinkt is met de informatie, publiciteit of commerciële praktijken en dat niet aan het proportionaliteitsprincipe beantwoordt, is verboden.
BESLISSINGSBOOM
  • 41

    “Iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon en iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid” wordt als “onderneming” gekwalificeerd door het Wetboek van economisch recht – mits een paar uitzonderingen (art. I.1, 1°). Een natuurlijke persoon die zijn/haar activiteit als bediende uitoefent is geen “onderneming” maar zal onrechtstreeks gebonden zijn aan de op de ondernemingen toepasselijke regels via zijn/haar werkgever.

  • 42

    “Het gebruik van bepaalde vormen van commerciële communicatie kan de bescherming van de gezondheid schaden en afbreuk doen aan de waardigheid van het beroep doordat het imago en de publieke perceptie van de beoefenaar worden beschadigd, diens relatie met de patiënt verandert en de verstrekking van niet-geschikte of onnodige producten en diensten in de hand wordt gewerkt”. Het willen “beschermen van de individuele gezondheid en de volksgezondheid, en van de waardigheid van het gezondheidszorgberoep, gelet op het belang van een vertrouwensband die moet bestaan tussen een beoefenaar van een dergelijk beroep en een patiënt” komt neer op het nastreven van “legitieme doelstellingen van algemeen belang die beperkingen van de […] vrijheid kunnen rechtvaardigen”. En “nu de activiteiten van apothekers één geheel uitmaken en de patiënten vertrouwen moeten kunnen hebben in alle door hen aangeboden producten, evenals in het deskundig advies wat de omstandigheden en de voorwaarden van hun gebruik betreft, kan de beperking van de publiciteit […], ook wat hun parafarmaceutische activiteiten betreft, niet als onevenredig worden beschouwd”.