Artikel 62

In dezelfde geest zijn de artikelen 59, 60 en 61 ook van toepassing op de relaties met dierenartsen en met de beroepsbeoefenaars bedoeld in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen.

Net zoals de geneesmiddelen voor menselijk gebruik, mogen de apothekers geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik afleveren hetzij aan de verantwoordelijken van dieren, hetzij aan de dierenartsen zelf die over een depot mogen beschikken en geneesmiddelen mogen verschaffen in bepaalde omstandigheden (zonder in detail  in te gaan op deze regelgevingen, zie de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, het K.B. van 21 juli 2016 betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen door de dierenartsen en door de verantwoordelijken van de dieren en het K.B. van 14 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik – Deel 2).

De niet-conventionele praktijken zijn homeopathie, chiropraxie, osteopathie en acupunctuur (wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen, art. 2, § 1, 2°). De beoefenaars van een niet-conventionele praktijk worden erkend als beroepsbeoefenaars die gezondheidszorg verstrekken door de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënten (art .2). Voor een definitie van elke niet-conventionele praktijk, zie de website van de FOD Volksgezondheid. Enkel de homeopathie werd tot nu toe specifiek geregeld door een tekst die vereist dat de homeopaat ofwel arts, tandarts of vroedvrouw moet zijn (K.B. van 26 maart 2014 betreffende de uitoefening van de homeopathie).

Er wordt voor de rest verwezen naar de commentaren die onder art. 59, 60 en 61 van de Code worden geformuleerd en die ook hier pertinent zijn.