Artikel 19

De apotheker helpt de patiënt naar best vermogen. Hij luistert naar hem, informeert hem correct en adviseert hem binnen de grenzen van zijn deskundigheid, zonder enige diagnose te stellen.


De patiënt naar best vermogen helpen betekent voor de apotheker in eerste instantie het verzamelen van zoveel mogelijk informatie om de situatie van deze patiënt te kunnen analyseren en een geïnformeerd advies daarover te formuleren10. Dit advies kan al naargelang het geval leiden tot de verstrekking van zorg en de aflevering van een product ofwel tot de weigering van verstrekking en aflevering11. In tweede instantie, in geval van verstrekking en aflevering van een product, geeft de apotheker aanvullende nuttige informatie, advies, waarschuwingen… betreffende de verwachtingen met betrekking tot dit product, het goed gebruik ervan (o.a. dosering, moment waarop het moet genomen worden, wat te doen in geval van vergetelheid, opslag- en verwijderingsvoorwaarden), de eventuele interacties met andere producten, de veiligheid, de middelen om tot het beste therapeutische resultaat te komen, eventuele neveneffecten… Deze manier van werken wordt beschreven in de Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken (gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers), punt F.7.1. De weigering om te verstrekken en af te leveren moet ook worden omkaderd met nuttige en voldoende uitleg. Indien nodig moet de patiënt verwezen worden naar een andere beroepsbeoefenaar tot wie hij zich kan richten. In dit opzicht stelt het punt F.7.3 van bovenvermelde Gids het volgende: “zelfs indien geen geneesmiddelen of andere gezondheids- en verzorgingsproducten worden verstrekt, verschaft de apotheker alle nodige informatie in verband met gezondheidsbevordering en ziektepreventie. Door zijn raadgeving draagt hij bij tot een betere levenskwaliteit voor de bevolking”.

Naast de weigering van verstrekking en aflevering bestaan er ook gevallen waar de aflevering onmogelijk is wegens onbeschikbaarheid van het product. In deze situatie legt de apotheker de onbeschikbaarheid aan de patiënt uit en helpt hij hem om de continuïteit van de zorg te waarborgen. Betreffende de onbeschikbaarheden van geneesmiddelen, zie de commentaar onder artikel 37 van de Code.

De patiënt naar best vermogen helpen impliceert soms ook dat de apotheker hem verwijst naar een andere gezondheidszorgberoepsbeoefenaar. Over dit onderwerp, zie de commentaar onder artikel 21 van de Code.

Het verbod voor de apotheker om een diagnose te stellen in het kader van zijn activiteiten wordt gesteld in artikel 3, § 1, lid 2 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Een diagnose stellen behoort tot de uitoefening van de geneeskunde. De apotheker heeft eerder een oriënterende rol en een rol van gepersonaliseerde begeleiding van patiënten die aan zelfmedicatie doen (bovenvermelde gecoörd. wet van 10 mei 2015, art. 5/1); hij kan symptomen evalueren zonder ze te interpreteren en aanbevelingen formuleren op deze basis. Om de nuance in de rol van de apotheker te illustreren zie bijvoorbeeld het advies van de Nationale Raad van 16 september 2008, “Aanwezigheid in de officina van zelfmetingstoestellen”.

Sommige ondernemingen ontwikkelen distributiesystemen voor hun productassortimenten waarvoor samenwerking met apothekers wordt gezocht. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op online-verkoop van producten (met online betaling) met afhaling ervan in de officina. Wanneer hij zulke voorstellen van partnerschappen krijgt, moet de apotheker aandacht besteden aan verschillende aspecten, o.a. de rol die van hem wordt verwacht (voor andere aspecten, zie bijv. de commentaar onder art. 41 van de Code). De focus van de activiteit van de apotheker ligt inderdaad op de patiënt die hij onthaalt en naar wie hij luistert om hem de meeste optimale en efficiënte hulp en advies voor zijn situatie te geven. Deze manier van werken is deze van de farmaceutische zorg, en omvat een analyse van het verzoek van de patiënt en een mogelijkheid om de aflevering van een ongeschikt, gecontra-indiceerd, nutteloos… product te weigeren in functie van het bijzonder geval van de patiënt. Blijven deze mogelijkheden behouden in het voorgestelde partnerschap?

  • 10

    De WWHAM vragen bijvoorbeeld kunnen de apotheker op een nuttige manier helpen in dit opzicht: WIE is de patiënt (leeftijd, geslacht, levensomstandigheden, antecedenten, zwangerschap of borstvoeding, bestaande therapeutische relatie of niet…); WAT is er aan de hand (klachten, symptomen, invaliditeit of niet…); HOELANG (sinds wanneer? hoelang? causaliteit? …); ACTIES (welke acties werden al ondernomen?); MEDICATIE (in hoeverre neemt de patiënt geneesmiddelen? occasioneel, chronisch…).

  • 11

    Verstrekking wordt gedefinieerd in punt B van de Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken (gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers) als volgt: “Handeling die erin bestaat om enerzijds een geneesmiddel of gezondheidsproduct af te leveren overeenkomstig de wettelijke bepalingen dienaangaande, en anderzijds er de intellectuele meerwaarde aan te verbinden die bestaat uit :
    - de farmaceutische analyse van het medisch voorschrift of van de vraag van de patiënt;
    - de eventuele bereiding van de toe te dienen dosissen;
    - het ter beschikking stellen aan de patiënt van de nodige informatie en het nodige advies om het geneesmiddel goed te gebruiken;
    met als doel de patiënt doeltreffendheid en veiligheid aan te bieden”. Aflevering is de operatie waarbij een goed wordt overgedragen van de ene persoon naar de andere.