Persoonlijke publiciteit is toegelaten mits naleving van de wetgeving en de essentiële regels van het beroep. Ze is altijd verenigbaar met het belang van de patiënt en de volksgezondheid.
Over publiciteit in het algemeen, zie het Wetboek van economisch recht (WER), in het bijzonder art. XII.12-XII-14 en het Boek VI; over praktijkinformatie, zie artikel 31 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
Het Boek VI van het WER behandelt de marktpraktijken en de consumentenbescherming. Dit boek bevat regels die door de ondernemingen, waaronder de apothekers, in hun betrekkingen met consumenten, hier patiënten, moeten volgen wanneer ze een product aan hen verkopen of een dienst aan hen leveren. Krachtens deze regels worden bepaalde handelspraktijken, met inbegrip van reclame en marketing, die strijdig zijn met de professionele toewijding en die het economisch gedrag van de consumenten (kunnen) veranderen – omdat ze o.a. misleidend of agressief zijn – verboden. Artikelen XII.12-XII.14 van hetzelfde WER betreffen meer in het bijzonder reclame “die deel uitmaakt van een dienst van de informatiemaatschappij, of een dergelijke dienst vormt”, d.w.z. elektronische reclame. Dit soort reclame, die duidelijk als zodanig herkenbaar moet zijn, kan door de apothekers worden gebruikt met respect voor de voorwaarden die in het WER worden opgelegd, “mits de beroepsregels, met name ten aanzien van de onafhankelijkheid, de waardigheid, de beroepseer en het beroepsgeheim, alsmede de eerlijkheid ten opzichte van cliënten en confraters in acht worden genomen”. Meer informatie over deze verschillende aspecten zijn beschikbaar op de website van de FOD Economie.
Bovenvermeld artikel 31 van de wet van 22 april 2019 laat iedere gezondheidszorgbeoefenaar, waaronder de apotheker, toe om praktijkinformatie aan het publiek kenbaar te maken. Praktijkinformatie wordt gedefinieerd als “iedere vorm van mededeling die rechtstreeks en specifiek, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, tot doel heeft een gezondheidszorgbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk”. Voorwaarden worden voorzien om deze praktijken te omkaderen: de praktijkinformatie moet “waarheidsgetrouw, objectief, relevant en verifieerbaar zijn; ze moet wetenschappelijk onderbouwd zijn”; ze mag niet “aanzetten tot overbodige behandelingen” noch mag ze het ronselen van patiënten tot doel hebben (hierover zie de commentaar onder art. 101 van de Code); ze “vermeldt de bijzondere beroepstitel(s) waarover de gezondheidszorgbeoefenaar beschikt”. Het toezicht op de naleving van deze bepaling wordt verzekerd door de federaleCommissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg, die op eigen initiatief of naar aanleiding van een klacht kan optreden. In geval van schending kan een verbeterplan aan de apotheker opgelegd worden om zich in orde te stellen; zwaardere sancties – het schorsen of het intrekken van het visum – worden slechts voorzien bij herhaling van de schending of in geval van ernstige gevolgen voor de patiënt of de volksgezondheid.