Artikel 5

Hij respecteert de principes van waardigheid, moraliteit, eer, bescheidenheid, eerlijkheid en toewijding in zijn beroepsuitoefening.
Zelfs buiten het kader van de uitoefening van zijn beroep, vermijdt hij alle handelingen of gedragingen, die hieraan afbreuk doen, zoniet kan de patiënt het vertrouwen verliezen dat hij in het beroep in het algemeen, alsook in de apotheker in het bijzonder, mag stellen.

De eer en de waardigheid van het beroep zijn concepten die soms vaag en voorbijgestreefd lijken maar dat is niet zo. In tegenstelling tot wat deze formulering zou kunnen laten uitschijnen, is het niet de bedoeling om de persoon die dit beroep zou uitoefenen op een voetstuk te plaatsen door hem buitengewone kwaliteiten toe te kennen. Het doel is daarentegen om de kwaliteiten die van deze persoon kunnen verwacht worden in te roepen in de hoop dat deze persoon correct dit beroep zal uitoefenen met kwalitatief hoogstaande inzet voor de patiënt en de gezondheidszorg. Het gaat niet om enige erkenning maar om een vereiste en dus een beperking die door de apotheker wordt aanvaard om zijn geloofwaardigheid ten opzichte van zijn patiënten en de ganse maatschappij te verzekeren.

De aangehaalde noties (waardigheid, moraliteit, eer…) kunnen vatbaar zijn voor een interpretatie die rekening houdt met de perceptie ervan door het sociale korps, die kan evolueren. Alle vermelde kwaliteiten moeten hier echter worden beoordeeld in functie van hun specifieke doel: namelijk het vertrouwen van de patiënt in de apotheker te verzekeren.

Door zijn opleiding en de keuze van zijn beroep wordt een garantie van bevoegheid, ernst en toewijding van de apotheker verwacht ten opzichte van de patiënt. Het kan gebeuren dat door zijn gedrag en zijn initiatieven in het professionele en zelfs in het privédomein het vertrouwen dat de patiënt in hem stelt in twijfel wordt getrokken en de geloofwaardigheid waarvan de apotheker moet genieten om zijn taken correct uit te oefenen, in het belang van de patiënt en de volksgezondheid, wordt vernietigd.

Het vrijwaren van het vertrouwen tussen de patiënt en de apotheker, maar ook van de geloofwaardigheid van deze laatste ten opzichte van de maatschappij, vormt de kern van de deontologie en de actie van de Orde der Apothekers op het disciplinaire vlak. Dit verklaart waarom de deontologie ook buiten de uitoefening van het beroep moet worden nageleefd. Dit wordt herhaald door artikel 6, 2° van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der Apothekers.

  • Een apotheker die RIZIV-fraude pleegt en zo gemeenschapsgeld ontvreemdt, tast de integriteit en de geloofwaardigheid van het beroep zwaar aan.
  • Een apotheker stond meermaals dronken achter de toonbank van zijn apotheek, terwijl de Provinciale Geneeskundige Commissie zijn visum had ingetrokken. Daarvoor heeft een Provinciale Raad een schorsing in het recht het beroep uit te oefenen van meerdere maanden uitgesproken tegen deze apotheker. Zo’n gedrag is strijdig met de eer en de waardigheid van het beroep en tast het vertrouwen van de patiënt in de apotheker aan.
  • Een confrater in het diskrediet brengen tijdens een privé-feest, rijden onder invloed en een ongeval met zware gewonden veroorzaken… kunnen voorbeelden zijn van gedragingen die van privé-aard zijn maar die in voorkomend geval tot de tuchtvervolging van de apotheker zouden kunnen leiden afhankelijk van het feit of dit gevolgen heeft op de perceptie van de apotheker door de patiënten. Een apotheker werd bijvoorbeeld geschrapt uit de Orde o.a. omwille van verschillende feiten van seksueel geweld tegen meerdere vrouwen.