Artikel 40

De apotheker waakt over de voortgezette farmaceutische zorg van de patiënt.
Hij houdt zijn farmaceutisch dossier bij en actualiseert het.

Naast de basis farmaceutische zorg (zie de commentaar onder artikel 39 van de Code), is het tweede niveau van de farmaceutische zorg de voortgezette farmaceutische zorg. Het is “een concept dat hoofdzakelijk patiëntgericht is” en dat bestaat uit “een geïndividualiseerde opvolging van de farmaceutische zorg na een akkoord tussen de patiënt, de apotheker en, zo nodig, de arts”. Het proces en de mogelijkheden die het biedt – individuele medicatievoorbereiding, toedieningsschema, begeleidingsgesprekken voor goed gebruik van geneesmiddelen (GGG)… – worden beschreven in de Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken (gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers), punt F.7.2.

Overeenkomstig de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (art. 9) “heeft de patiënt ten opzichte van de beroepsbeoefenaar recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier”. De meer precieze regels met betrekking tot het farmaceutisch dossier dat met toestemming van de patiënt wordt geopend en met betrekking tot de gegevens die erin moeten of kunnen worden opgenomen, worden voorzien in de Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken (gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers), punt F.7.1.IV. De contouren van het dossier voor de voortgezette farmaceutische zorg worden geformuleerd in punt F.7.2.II van dezelfde Gids. Wat het farmaceutisch dossier betreft dat door de ziekenhuisapotheker moet worden bijgehouden, worden de op te nemen gegevens verduidelijkt in artikel 30, § 2 van het Koninklijk besluit van 30 september 2020 houdende de bereiding en de aflevering van geneesmiddelen en het gebruik en de distributie van medische hulpmiddelen binnen verzorgingsinstellingen (inwerkingtreding voorzien op 1 januari 2026).

Artikel 33 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg voegt aanvullende details toe met betrekking tot de gegevens die moeten opgenomen worden in het dossier van de patiënt, in functie van de gezondheidsbeoefenaar tot wie hij zich richt. Betreffende de apotheker zijn de pertinente gegevens die in het farmaceutisch dossier moeten ingeschreven worden de volgende: identificatiegegevens van de patiënt (INSZ-nummer, naam, geslacht, geboortedatum, adres, telefoonnummer en emailadres), naam van de huisarts, reden van het contact of problematiek op het moment van de consultatie (wat met zich meebrengt dat een vermelding in het dossier van de patiënt zou moeten opgenomen worden, zelfs in afwezigheid van aflevering van een product), weergave van het overleg met de patiënt (of de arts), chronologisch overzicht van de verstrekte zorg met de aard ervan en de datum (wat de aflevering van alle soorten producten, al dan niet geneesmiddelen, dekt), eventueel doorverwijzing naar een andere zorgverlener. De apotheker moet in principe een dossier bijhouden voor elke patiënt, zelfs voor deze die tijdens een wacht of punctueel komen.