Artikel 1

De uitoefening van de artsenijbereidkunde beantwoordt aan een opdracht van volksgezondheid en vervult een sociale en humanitaire rol: het behoud of het herstel van de gezondheid van de patiënten.
De apotheker staat ten dienste van de volksgezondheid. Hij voert zijn beroepsactiviteit uit in het belang van de gezondheid van de patiënt. Gedurende heel zijn loopbaan oefent hij met bekwaamheid en toewijding zijn taak uit.

Zoals vermeld in de commentaar bij de inleiding van de Code van farmaceutische plichtenleer, maakt de artsenijbereidkunde, zoals gedefinieerd in artikel 5/1 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, deel uit van de gezondheidszorg. De apotheker wordt dan ook beschouwd als een gezondheidszorgberoepsbeoefenaar. De wetgever heeft het volgende benadrukt: “het is de eigen wijze waarop het beroep medewerkt aan het algemeen welzijn, die het zijn hoge maatschappelijke betekenis geeft” en de apotheker zal zo goed mogelijk proberen “steeds gericht te blijven naar het algemeen welzijn”3. Hij dringt ook aan op het voor het beroep essentiële karakter van de promotie van “topkwaliteit bij de uitoefening van het beroep in het belang van de volksgezondheid” (Gids voor de goede officinale farmaceutische praktijken (gevoegd bij het K.B. van 21 januari 2009), punt A).

  • 3

    Wetsvoorstel tot instelling van de Orde der Apothekers, Verslag, Parl. St. Kamer 1947-1948, nr. 220, blz. 2.