Artikel 91

De apotheker-titularis van een voor het publiek geopende apotheek is, ongeacht of hij eigenaar is of niet, verantwoordelijk voor alle informatie, publiciteit en andere commerciële praktijken, ondernomen door of voor zijn apotheek, ongeacht de inhoud, het verspreidingskanaal of de modaliteiten.
Omwille van deze verantwoordelijkheid waakt de apotheker-titularis niet-eigenaar erover overlegmaatregelen uit te werken met de vergunninghouder betreffende elke informatie, publiciteit en andere commerciële praktijken gelinkt met de apotheek. Hij laat hiertoe de nodige bepalingen opnemen in zijn arbeidsovereenkomst.

Het volledige beheer van iedere officina valt onder de (burgerrechtelijke, strafrechtelijke en tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid van één of meerdere apothekers titularissen, die niet noodzakelijk eigenaars van de apotheek zijn. Volgens de huidige wetgeving moet de houder van een uitbatingsvergunning van een apotheek die eigenaar is van de lokalen inderdaad niet noodzakelijk apotheker zijn en zelf de apotheek beheren (zie de Inleiding van de Code).

Zelfs als de vergunninghouder -niet apotheker- wettelijk verplicht is om de apotheker(s)-titularis(sen) voldoende autonomie te laten en geen handeling noch beperking die de naleving van de hem of hen opgelegde wettelijke en deontologische vereisten verhindert, mag opleggen, kan deze situatie conflicten of moeilijkheden veroorzaken. De tuchtinstanties van de Orde der Apothekers zijn inderdaad enkel bevoegd ten opzichte van op de lijst ingeschreven apothekers (zie de Inleiding van de Code). Een door de vergunninghouder ondernomen publiciteits- of commerciële praktijk die strijdig is met de deontologie zou dus in bepaalde omstandigheden kunnen leiden tot de veroordeling van de apotheker-titularis van de betrokken officina. De apotheker mag zich inderdaad niet verschuilen achter zijn werkgever om aan zijn eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid te ontsnappen.

Er wordt aan de apotheker-titularis aanbevolen om daaraan bijzondere aandacht te besteden in zijn arbeidsovereenkomst (zie art. 74 van de Code).

Zie de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, art. 8, al. 2 en 5-6.

  • Zou kunnen beschouwd worden als niet-proportionele publiciteit en tot de veroordeling van de apotheker kunnen leiden: een promotionele folder waarin op een opzichtige manier grote kortingen worden aangekondigd en door de groep (vergunninghouder) waarvan de apotheek deel uitmaakt in de brievenbussen van alle inwoners van de provincie wordt gestoken.
  • Werd integendeel vrijgesproken de apotheker wiens werkgever contacten had met een zorgverzekeraar die een nieuw systeem van kortingskaarten binnen zijn officina in zijn tweemaandelijkse ledenkrant had gepromoot. Er werd erkend dat de apotheker niet schuldig kon verklaard worden “voor initiatieven die hem onbekend waren en niets met hem te maken hadden in het kader van de deontologie” en dat hij “absoluut niet betrokken was in de organisatie van het associatieve leven van de zorgverzekeraar en in de manier waarop deze zijn leden informeert”.