Het volledige beheer van iedere officina valt onder de (burgerrechtelijke, strafrechtelijke en tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid van één of meerdere apothekers titularissen, die niet noodzakelijk eigenaars van de apotheek zijn. Volgens de huidige wetgeving moet de houder van een uitbatingsvergunning van een apotheek die eigenaar is van de lokalen inderdaad niet noodzakelijk apotheker zijn en zelf de apotheek beheren (zie de Inleiding van de Code).
Zelfs als de vergunninghouder -niet apotheker- wettelijk verplicht is om de apotheker(s)-titularis(sen) voldoende autonomie te laten en geen handeling noch beperking die de naleving van de hem of hen opgelegde wettelijke en deontologische vereisten verhindert, mag opleggen, kan deze situatie conflicten of moeilijkheden veroorzaken. De tuchtinstanties van de Orde der Apothekers zijn inderdaad enkel bevoegd ten opzichte van op de lijst ingeschreven apothekers (zie de Inleiding van de Code). Een door de vergunninghouder ondernomen publiciteits- of commerciële praktijk die strijdig is met de deontologie zou dus in bepaalde omstandigheden kunnen leiden tot de veroordeling van de apotheker-titularis van de betrokken officina. De apotheker mag zich inderdaad niet verschuilen achter zijn werkgever om aan zijn eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid te ontsnappen.
Er wordt aan de apotheker-titularis aanbevolen om daaraan bijzondere aandacht te besteden in zijn arbeidsovereenkomst (zie art. 74 van de Code).